Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zers niet een zaak van een verhooging van ƒ 100.— er bij of er op, maar een vraag om behoorlijke classificatie in de schalen van het Bezoldigingsbesluit. Hiermede is het cardinale verschil aangewezen tusschen de onderwijzers aan de éene en de ambtenaren aan de andere zijde. Geen enkele groep van ambtenaren is bij de totstandkoming van het Bezoldigingsbesluit in 1919 zoo bedrogen in zijn billijke verwachtingen als de onderwijzers in 1920. Dit cardinale verschil rechtvaardigt dan ook de door de Onderwijs-Centrale in adres en motie uitgesproken noodzakelijkheid van een afzonderlijke herziening van de salarissen der onderwijzers.

In dit verband releveren wij met instemming wat de heer Van den Tempel gesproken heeft in de zitting der Tweede Kamer op 14 Nov. 1930 (blz. 562 der Handelingen):

„Ik heb betoogd, dat het ook wel mogelijk zou zijn bevrediging te schenken eenerzijds door vermindering van den pensioenaftrek, maar daarnevens door herclassificatie van sommige groepen van ambtenaren, in het bijzonder van de onderwijzers in het Bezoldigingsbesluit.

Uit deze zinsnede spreekt het inzicht, dat de onderwijzers als groep het meest reden tot klagen hebben over onjuiste classificatie in het Bezoldigingsbesluit.

Buitengewoon teleurstellend, omdat het getuigt van gebrek aan goeden wil om zich in de klachten der onderwijzers in te leven, is het antwoord dat Minister De Geer hierop liet hooren:

,.Wat de heer Van den Tempel nu blijkt te bedoelen, zou natuurlijk leiden tot een algemeen e salarisherziening. Het zou een deel van de ambtenaren ten goede komen, maar een zeer groote onrust wekken onder alle andere ambtenaren. Ik heb reeds in mijn rede van 12 November van het vorige jaar gezegd, dat de ervaring leert, dat iedere groep die omhoog gaat malcontenten elders maakt."

Er is hierop nogal het een en ander aan te merken:

Sluiten