Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooals rationeel zou zijn geweest, van het totaalbedrag te zijn afgenomen vóór de verdeeling. Deze historie wijst er daarom weer ten duidelijkste jop, dat een algemeene herziening de onderwijzers nimmer op de juiste plaats in het Bezoldigingsbesluit zal brengen.

Méér dan bevreemdend is de uitbreiding, die de Minister van Financiën in de zitting der Tweede Kamer van 19 Nov. 1930 gaf aan de bovengenoemde aanhaling betreffende de herziening in 1928. Volgens blz. 630 der Handelingen heeft Z. E. in zijn repliek o.m. dit aangevoerd:

„Kort gezegd, er is van Januari tot November 1928 alles aan gedaan, om althans de verhoudingen tusschen de groepen zoo perfect mogelijk te maken, perfect dan in den zin, dat de grootste gemeene deeler gevonden werd van wat de organisaties, volledig voorgelicht en behoorlijk technisch uitgerust, in onderling overleg en onder leiding van den directeur van het Centraal Bureau, ten slotte zelf wenschelijk oordeelden."

Wij kunnen deze uitlating niet anders beschouwen dan als een scheeve voorstelling van zaken. Wij kunnen op den Minister niet diens eigen woorden toepassen: „Gij kent de geschiedenis niet of uw geheugen is te kort."

De Minister kent de geschiedenis wel. Een zeer goed geoutilleerd bureau staat te allen tijde Z. E.'s geheugen ten dienste.

Wij kennen de geschiedenis ook. En ons geheugen stelt ons uit de historie van 1928 dit helder voor den geest: de „leiding" van den directeur van het Centraal Bureau. Dat is het moment dat de heele historie van de herziening van 1928 beheerscht. En achter de coulissen de Minister van Financiën die de „leiding" inspireerde.

Elke voorgestelde verbetering werd nagerekend. Van belangrijke verbeteringen kon geen sprake zijn vanwege het, aanvankelijk-geheimzinnige, matige bedrag. Voortdurend werden de wenschen geremd. „Als Ge dit voorstelt, laat ik het werk verder aan U over en trek mij terug." Dat was de teugel van de leiding, die telkens weer dwong

Sluiten