Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat juist het tegendeel is geschied. De onderwijzers zijn, wat lengte der dienstjarenschaal betreft, de minst begunstigden gebleven. Hun allerdroevigst laag minimum is practisch constant gebleven — dat der ambtenaren is over 't geheel minimaal ƒ 100.— gestegen. De maxima der ambtenaren zijn gestegen met bedragen van ƒ 100.— tot ƒ 400.—, ƒ500.— en ƒ600.— verscheidene zelfs met nog hoogere bedragen; voor de onderwijzers kon het maximum slechts ƒ 100 — stijgen! Dat is het resultaat, wat de onderwijzers betreft, van de z.g.n. perfectioneering van de verhouding hunner wedden tot die der ambtenaren!

Terwijl dus de minister van Financieën in dezelfde zitting verklaart: ..Er is geen doorslaande reden om te vermoeden dat juist bij voorkeur op het punt der onderwijzerssalarissen bij de regeling der verhoudingen in 1928 zou zijn misgetast", meenen wij, dat volgens de historie als een paal boven water staat:

1°. De onderwijzers zijn in 1920 onjuist n.1. te laag geclassificeerd.

2*. De kortingen hebben hen in ernstiger mate getroffen dan de ambtenaren.

3°. De herziening van 1925 gaf geen beduidende verbetering.

4°. De herziening van 1928 heeft de verhoudingen te hunnen opzichte nog scheever getrokken.

„In de ambtenarenorganisaties en in de Centrale commissie is men het er allerminst algemeen over eens, dat de onderwijzers als groep achtergesteld zijn", zoo heeft de minister verklaard.

Deze uitspraak van menschen, voor wie bij de jongste herziening elke ƒ3.— verhooging der onderwijzerssalarissen ƒ 100.000 minder voor de ambtenaren beteekende, verliest in dit licht vrijwel alle beteekenis. De Centrale commissie toch is over 't geheel aan te merken als vertegenwoordigster der ambtenaren. De onderwijzers waren er in 1928 slechts tijdelijk in vertegenwoordigd. Nog steeds zijn ook in dit opzicht de onderwijzers

Sluiten