Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarmee ze ravotten kan, heeft ze thuis nog haar bijzondere vriendjes. In een kooitje van bamboe zitten een paar glatiks (rijstvogeltjes) die met verlangen uitzien naar haar thuiskomst. Ze weten, dat Merdóe dan nooit vergeet een handjevol padie voor hen mee te brengen. Vóór 't huis hangt aan een lange bamboe de kooi van de perkóetoet, het tortelduifje, dat een gouden ei zal leggen als 't honderd jaar wordt. Verder zijn er de kippetjes, kleine, slanke dieren met lange, gele pooten, die ook al met ongeduld naar de thuiskomst van haar kleine meesteres uitzien. Maar 't aardigste vriendje van Merdóe is wel de badjing (eekhoorn), die ze heeft opgekweekt vanaf z'n prille jeugd en die nu zóó mak geworden is, dat hij haar alle stappen achterna loopt en zich soms met één geweldigen sprong op haar schouder neerzet.

O, ja, Merdóe houdt heel veel van haar ouderlijk huis. 's Avonds, als de zon is ondergegaan en de kleintjes slapen, zet ze zich op de baleh (bank) voor hun woning en kijkt naar de heldere sterren, die blinken tusschen 't fijne loof der palmen en naar de vuurvliegjes, die boven de sawahs zweven. En ze luistert naar 't gesjirp van de krekels en 't verre geblaf van een kamponghond. Heel — heel zachtjes begint ze dan te zingen, een welluidend Javaansch liedje, hetzelfde dat haar moeder en haar grootmoeder hebben gezongen, toen die klein waren. Dan is ze gelukkig, de kleine Merdoe.

Sluiten