Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat zou dat een gelukkig weerzien geven na zoo lange scheiding.

Toen de eerste zeelui aan wal stapten vloog Boek Griwoe op hen toe en vroeg angstig: „waar is de Sri Bintang? Waar is mijn man en mijn zoon?"

Men stelde haar gerust: „De pedèwa van Pa Griwoe heeft een weinig averij geloopen door 't stooten op een klip. Zij zal tegen den avond hier zijn."

Maar Boek Griwoe en haar kinderen waren verre van gerust! Vooral toen tegen den middag de sterke bries aanwakkerde tot een storm.

In hevigen angst bleven ze naar de golven staren.

Eerst tegen den avond zagen ze een zeil dat snel naderde. Het was de Sri Bintang!

Maar men kon zien dat de pedèwa last had van de hooge zeeën. Ze lag verbazend diep en af en toe leek het, of ze om zou slaan. Wanneer een mihder vaste hand dan die van Pa Griwoe het roer had gehouden zou ze reeds lang zijn verongelukt.

„Het schip is lek," riep Wanda. „Ze halen 't niet. Ze halen 't nooit. De schuit zinkt!"

„O, Allah!" riep Boek Griwoe handenwringenduit,„nu verdrinken ze in 't gezicht van de haven! O, mannen helpt toch, helpt toch!!"

Maar de zeelui, schoon moedig en onversaagd keken elkaar hoofdschuddend aan. Als men in volle zee was, dan ging het nog. Maar bij zoo'n storm door de branding te sturen? Dat was haast ondoenlijk.

„Hé, Bagong! Bagong!" riepen een paar stemmen. „Bagong! Wat ga je doen?"

Doch Bagong luisterde niet. Nauw had hij 't woord „verdrinken" gehoord, of hij ijlde naar zijn lètek-lètek,

Sluiten