Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andering is wreed en onbillijk in hun oogen. Maar tegen de kanonnen der witmenschen is het kwaad vechten. Er valt niets te doen dan te berusten.

Plotseling komt een opgeschoten knaap het vreedzame huis binnenstormen.

„Dimdim (witmenschen) in groote poeri-poeri (tooverkano)," gilt hij. „Ze zijn al dichtbij."

Allen springen overeind. Vrouwen en kinderen verbergen zich. Doch de mannen ijlen naar hun booten, die in de luchtwortels van het mangrove-woud verborgen liggen. Die kano's zijn met eindeloos geduld door middel van scherpe steenen en schelpen van uitgeholde boomstammen gemaakt. Behendig pagaaien ze nu door het slijkerige kustwater naar de open zee.

Ja, waarlijk — daar drijft de tooverkano der witmenschen. Weldra is het schip door honderden booten omringd. — „Wat wenschen de Dimdim van ons?"

Ha, ze hebben een tolk aan boord, die de taal der Papoea's spreekt: Luister, ze willen zoo'n kano koopen voor hun Doeboe (krijgshuis, museum). Zie: een bijl, een spiegel, prachtige kralen en eenige ellen katoen geven ze er voor. Welk een schatten voor een eenvoudige boot. Wat zijn die witmenschen toch rijk. Willen ze meer booten koopen? Neen? Hoe jammer.

Op zij — op zij! Raggi, de burgemeester van het dorp, met Kway, de vechtgeneraal, komen aangeroeid in hun groote staatsie-kano, door twaalf roeiers voortbewogen. Zie, ze worden door de witmenschen uitgenoodigd, aan boord te komen. Ze krijgen geschenken: tabak, kralen, een sabel! Welke schatten bezitten toch die Dimdim. De hoofdlieden spreken ernstig

Sluiten