Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

druppelen van den regen. Doch er was niets verdachts te hooren en daarom begon hij zonder aarzelen te graven. Omzichtig haalde hij de aarde bij kleine beetjes uit het gat, dat steeds wijder en dieper werd.

Plotseling deed een geluid in zijn onmiddellijke nabijheid hem hevig verschrikken. Het klonk driemaal achtereen: tókèh, tókèh, tókèh. Maar dadelijk herkende hij dit als het geroep van een groote hagedis. Hij luisterde aandachtig of het geroep van het dier ook iemand in huis had gewekt. Doch toen alles stilbleef, ging hij door met graven.

Reeds een half uur was Daleh aan 't werk, en hij stond op 't punt om te beproeven of hij er zijn slanke lichaam doorheen kon wringen, toen hij andermaal door eenig gedruisch werd opgeschrikt. Hij hoorde duidelijk stemmen klinken, en af en toe werd er met een houtje op een holle bamboe geslagen, hetgeen klonk als tök-tók-tók. 't Was de nachtwacht die de ronde deed. Haastig kroop Daleh weg in de struiken die naast het huis stonden. Zijn hart bonsde nu hoorbaar.

Maar de nachtwachts bemerkten hem niet. Toen ze bij het huis van den Chinees waren gekomen, klopte één hunner op den wand van het huis, roepend: melèkmelèk (word wakker, word wakker). Een vrouwenstem gaf slaapdronken eenig antwoord. Toen trokken de wakers af om hun gardoe-huisje weer op te zoeken. Duidelijk hoorde Daleh hen op de ijzeren rail die daar hing, het uur van den nacht melden: tóng-tong. Het was twee uur. Hij hoopte maar, dat de wakers daarginds zouden gaan slapen, maar tot zijn teleurstelling begon één van hen, die bang in 't donker was, te oeroe (nachtzingen). Verdrietig zette hij nu zijn arbeid voort,

Sluiten