Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hallo, vrind," zoo sprak hij Wali aan, „heb je niets voor ons te eten?"

Wali verdween schoorvoetend in huis en kwam terug met een soort houten emmer. Nauw had hij daarvan het deksel afgenomen of een ondraaglijke stank verspreidde zich in het rond.

„Wat is dat?" vroeg de officier verwonderd.

„Babi," (varkensvleesch) antwoordde Wali. Inderdaad, het was varkensvleesch, maar het verkeerde in verregaanden staat van ontbinding. Dit was voor Wali en de zijnen volstrekt geen reden om het niet smakelijk te vinden.

„Heb je geen versch vleesch? We zullen je betalen!"

Wali verdween, en kwam een oogenblik later terug met zijn buurman, die een mager varken aan een touw meevoerde. Op een goedkeurend knikje van den commandant hurkte Wali nu neer op den grond en hield zijn kris gereed. De buurman leidde hem het knorrende beest aan het touw voorbij. Op het oogenblik toen het varken Wali passeerde, stak deze bliksemsnel — en slechts eenmaal — naar het dier, dat zonder een enkelen kreet te slaken neerzonk, blijkbaar recht in het hart getroffen. Dat is zoo de manier van slachten op Nias.

Weldra zat de geheele troep geroosterd en gebraden varkensvleesch te eten, met djeroek (sinaasappels) en bananen als toespijs. Maar Wali sneed een stuk af van het bedorven vleesch, zengde dat even aan de punt van zijn mes boven het vuur en at het smakelijk op. Hij gaf hieraan blijkbaar de voorkeur boven versch vleesch.

Heimelijk hoopte Wali nu van „de Keumpenie" be-

Sluiten