Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijd te worden. Maar zijn hoop werd niet vervuld.

„Wali," sprak de commandant, „we gaan morgenvroeg het binnenland in en nu hebben we voor onze bagage, die in prauwen geborgen is, dragers noodig. Kun jij ons die bezorgen?"

Wali vroeg beleefd naar het doel van den tocht en nu kwam hij het volgende te hooren.

Twee zoutverkoopers uit de dessa Pidoeloe, gelegen aan de Zuidkust van Nias, waar de bevolking zeer krijgshaftig is, waren naar het binnenland getrokken met een mand zout. In de bergstreken is zout zeldzaam en dus zeer gewild en onze kooplui maakten goede zaken. Onderweg kwamen ze voorbij een obiveld, waar een vrouw aan het werk was. Aan die vrouw boden ze ook hun waar te koop aan. Op het oogenblik, dat de vrouw in de mand keek, kon een der schelmen zijn lust tot koppensnellen niet langer bedwingen en in een ommezien had hij haar met een vreeselijken klewanghouw het hoofd afgeslagen. Daarop waren de beide schurken naar het binnenland gevlucht en wel naar de dessa Fadoro, waar menschen woonden, die zich aan een dergelijk kwaad hadden schuldig gemaakt. Twee mannen uit de dessa Fadoro waren n.1. op reis gegaan en werden in een afgelegen huis gastvrij ontvangen. Maar midden in den nacht terwijl alles sliep, was de verzoeking om te snellen hun te machtig geworden, ze hadden hun gastheer met zijn garische familie om het leven gebracht, en zich met hun hoofden uit de voeten gemaakt. Zoo wreed en verraderlijk zijn de Niassers — vooral in het Zuiden van het eiland.

Wali hoorde dit verhaal onbewogen aan. In zijn

Sluiten