Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedeeltelijk droog lag. De visschen moesten met een kleinen poel genoegen nemen, waarin ze angstig heen en weer schoten.

Dat zag een reiger, en belust op buit kwam hij naderbij. Maar tot zijn groot verdriet bemerkte hij, dat de vijver nog te diep was, om de talrijke visschen te bemachtigen. Hij zette zich dicht bij den oever op één poot en zon op list. Onbeweeglijk stond hij daar en staarde peinzend in het water. Eindelijk kwamen eenige visschen nieuwsgierig naderbij zwemmen. Het waren nog jonge dingen, die niet wisten, dat er een reiger bestond.

Daar begon eensklaps de reiger te spreken. „Arme visschen," klonk het, „wat ben ik met jullie lot begaan. Lang zal het niet meer duren, of de zon heeft al het water in dezen vijver verdampt en dan kom jullie ellendig om. O, wat heb ik met je te doen."

Ook andere visschen waren naderbij gekomen, en de ouderen bemerkten nu duidelijk, dat ze lang zoo ver niet konden zwemmen als vroeger. De woorden van den reiger maakten hen angstig en ze jammerden: „wat zal er van ons worden, als de warmte al het water uit onzen vijver zal hebben opgedronken?" En ze wendden zich tot den vogel en smeekten: „Gij, bovenaardsch wezen, kunt gij ons helpen in den nood?"

De reiger keek peinzend langs zijn snavel omlaag. Eindelijk sprak hij:

„Ja, ik ken een zeker middel om jullie van een wissen dood te redden. Haal je ongelukkige makkers en luister naar mij."

Weldra waren alle visschen in een breeden kring

Sluiten