Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om den reiger geschaard en luisterden gretig toe.

„Hier dichtbij," sprak de bedrieger „,is een groote vijver met heerlijke klare, koele diepten, waar het krioelt van insecten en kleine waterdieren. Tal van lotosbladeren beschermen er het water tegen den dorst van den zomer. Daar zijt ge dus beschermd tegen de felle zon, die hier uw dood veroorzaakt. Ik raad u aan, in dien vijver te gaan wonen."

De visschen keken elkaar aan en knikten van instemming. Doch eindelijk bedachten ze met schrik, dat ze daar nooit zouden kunnen komen.

„Ach, heer luchtbewoner," sprak er een. „Wij kunnen niet over de aarde klauteren. Hoe zullen wij daar ooit komen."

„Ook daaraan heb ik gedacht," sprak de reiger. „Ik neem u een voor een in den bek en draag u door de lucht naar dien tweeden vijver."

Nu dachten de visschen een poosje na. Het voorstel leek hun een beetje dwaas. Daar kwam een groote kreeft aanschuifelen. Hij keek den vogel met zijn zwarte kraaloogjes wantrouwig aan.'

„Nooit," riep hij uit, „van dat de wereld bestaat heb ik gehoord, dat een vogel, als jij, belang stelt in het lot der visschen, anders dan om ze op te eten! Daarom vijverbewoners, vertrouwt dien prater niet!"

De reiger, die bang was, dat zijn prooi hem ontging, keek heel vroom, en sprak: „Ik zal u overtuigen van mijn goede bedoelingen. Wijs mij een der uwen aan om hem in mijn snavel naar den lotos-vijver te brengen. Hij zal er vrij in rondzwemmen, en als hij gezien heeft, welk een lustoord het daar is, breng ik hem weer naar hier, opdat hij u vertellen kan, dat ik waarheid spreek.

Sluiten