Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We zijn ver van huis en ik wil vandaag niet verder."

„Ja, Toewan," antwoordde de oppas en meteen keek hij rond. „Kijk eens hier, toewan," riep hij verrast: „Tampat tidoer kewd!"

In den top van een spichtigen dun-stammigen boom was een groot nest zichtbaar. Een kewó (orang oetan) had het daar gemaakt, door de takken van den boom naar elkaar toe te trekken en dooreen te vlechten, zoodat er een soort tafeltje ontstond. Daarop had hij eenige dunne takken en droge bladeren gelegd om er zoo op te gaan slapen. De dunne boom gaf hem bovendien de gelegenheid om een beetje droomerig heen en weer te wiegen, een bezigheid, waarmee deze groote aap zich graag onledig houdt.

„Zoo," sorak de Kontroleur, „zijn hier orang-oetans in de buurt. Welnu, ze hebben voor ons menschen te veel ontzag om ons kwaad te doen. We kunnen hier gerust blijven!"

„Misschien wel, toewan!"

Een inlander is te beleefd om een Blanda rechtstreeks tegen te spreken. Maar de kontroleur hoorde aan den toon, dat de oppas van meening met hem verschilde.

„Meen je, dat er gevaar is, Bèwong?"

„Een beetje, meneer. Als er jongen zijn!"

„Nu, we zullen 't er op wagen."

Daarop maakte Bèwong met zijn klapmes handig een slaapplaats van takken even boven den grond, spreidde er een reisdeken op uit en zorgde voor een schuin dak — eveneens van takken en bladeren — voor 't geval dat het mocht regenen. Vervolgens ging hij een eenvoudig maal bereiden.

Vertellingen uit onze Oost.

Sluiten