Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de schemering te staren. Men had geslapen onder het „nest" van een anderen orang-oetan.

't Was vijf uur in den morgen. In de verte klonk de gillende schreeuw van den wau-wau, een menschaap van de Gibbon-soort. Bèwong sprokkelde wat droog hout bijeen en weldra stond de rijstpot gezellig boven 't vuurtje te pruttelen. Ze lieten zich het ontbijt goed smaken en bespraken de kansen, die ze liepen, om verder door kewö's te worden lastig gevallen. Op geringen afstand neergehurkt deelde Daoet in den maaltijd der beide anderen. Hij keek telkens om zich heen en scheen verre van gerust.

„De orang-oetans zijn stellig ver weggevlucht," sprak de" kontroleur. „Anders hadden wij ze wel eens gehoord." .

„De kewö's kunnen even goed spreken als wy, i oewan," antwoordde Daoet. Ze houden zich echter stom, uit vrees dat de menschen hen anders zullen laten werken I"

Hierop bond de Dajak zijn mand op den rug, vatte kapmes en lans ter hand en ging zijns weegs.

Nauwelijks had hij echter eenige schreden gedaan of men zag hem zich te weer stellen tegen een nog onzichtbaren vijand. Hij velde zijn lans, en thans zag men uit den nabijen koepangboom een enormen orang-oetan te voorschijn komen, die — vóór Daoet toe kon stooten, de lans bij het blad greep en het stevige wapen in zijn sterke armen versplinterde alsof het een houtje ware geweest. Opnieuw zocht Daoet zijn heil in de vlucht. Pijlsnel kwam hij naar den blanke toegesneld, den bezitter van het vreeselijke vuurwapen. Inderdaad klonken twee schoten vlak na elkaar. Maar of de kon-

Sluiten