Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

troleur te haastig was geweest, dan wel of hij slecht gemikt had, uit vrees den vluchtenden Dajak te treffen: de kewó bleef ongedeerd.

Toch scheen het donderend geluid indruk op hem te hebben gemaakt. Althans hij bleef staan in half opgerichte houding, keek met zijn zwarte, glimmende oogjes de drie mannen eenige seconden aan, strekte toen zijn lange grijparmen uit naar een neerhangende liaan en was in minder dan geen tijd in het dichte gebladerte verdwenen.

„Dat gaat toch zoo niet langer," mopperde de kontroleur. „Men is zijn leven hier niet zeker! .We zullen die snaken opsporen en neerleggen."

Zorgvuldig laadde hij zijn geweer, en nu begonnen ze alle drie nauwkeurig de boomtoppen te onderzoeken. Hoezeer ze echter in alle richtingen speurden, nergens viel een spoor van den kewó te ontdekken.

„Zijn die vervloekte apen dan vogels geworden en weggevlogen?"

„Neen, Toewan, maar ze houden zich schuil in 't dichtste gebladerte. We vinden ze zoo nooit!"

„Is er geen middel, Bèwong, om deze ondieren op te sporen?"

Bèwong, die uit de bergstreken afkomstig was, waar geen orang-oetans voorkomen, haalde de schouders op.

„Toewan," sprak Daoet, „ik ken een onfeilbaar middel om hun schuilplaats te ontdekken. Hebt u misschien een ijzeren braadpan?"

„Ja, die is er bij onze bagage."

„Laten we dan even een vuurtje maken. Ik heb een zakje met lómbok sètan (Spaansche peper). Dat rooste-

Sluiten