Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed," antwoordt Topo. „Volg mij, en spreek niet meer."

De Toradja werpt zich op de knieën enJcruiptThet bosch in. De Hollander volgt. Ze vinden bloedsporen; eens zelfs een kleine plas geronnen bloed. Het dier is wèl geraakt. Doch waar zit het? Geen geritsel verraadt hem; geen gesnuif doet zich hooren. Het wordt reeds donker. De omtrekken der boomen vervagen.

Op 't onverwachtst weerklinkt een oorverscheurend gegil. — Wat is er gebeurd?

Goed verborgen in 't dicht gebladerte stond de gewonde sapi oetan onbeweeglijk zijn belagers op te wachten. Op 't onverwachtst heeft hij zich op den Hollander geworpen en hem „geschept". Zijn venijnige horens drongen daarbij in een zeer malsch gedeelte van diens lichaam. Vandaar die onmelodieuze kreten.

Maar Topo heeft den neteligen toestand van zijn makker bemerkt. Zijn naam eer aandoend (Ladjoe beteekent „de vlugge") werpt hij zich bliksemsnel op den stier. Voordat deze een tweeden stoot kan doen heeft de vreeselijke peda (hartsvanger) van den Toradja hem geveld.

De Hollander is gered. Maar de lust tot nadere kennismaking met den sapi oetan is hem vergaan. Maandenlang doet zijn pijnlijke, stijve gang hem zijn jachtlust verwenschen.

Met Topo Ladjoe is het anders gesteld. Als hij na een vermoeienden tocht plaats neemt op de zodenbank, dan streelen zijn bruine vingers tevreden den gladden loop van het fraaie geweer, dat de blanda hem ten geschenke gaf.

Sluiten