Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAAT EN KERK IN DE SOWJET-UNIE.

De houding die de Sowjet-regeering ten opzichte van den godsdienst aanneemt, is het gevolg zoowel van practische als vah theoretische overwegingen.

De theorie, of, zooals de Russen ze graag noemen, de „ideologie", knoopt aan bij Karl Marx, en vindt haar oorsprong in laatste instantie, in de scherpe kritiek en zoogenaamde: „Theorie van de illusie" door Ludwig Feuerbach. Voor de Russische geheime kringen vóór de revolutie, en voor de onwettige debating-clubs tusschen de jaren 1900 en 1915, waren daarbij toonaangevend, gedachten welke A. Loenatsjarsky, die jarenlang volkscommissaris voor ontwikkeling geweest is, omstreeks 1907 had neergelegd in zijn boek: „Godsdienst en Socialisme" (Petersburg 1908). De grondtoon en de inhoud van dit geschrift zijn uit den aard der zaak radicaal afwijzend. Een persoonlijk God wordt zonder eenig voorbehoud geloochend, „hij is óverbódig, zijn illusie werkt schadelijk". „Waar nog tengevolge van maatschappelijke gedruktheid een godsgeloof aanwezig is, daar zal het met den toenemenden vooruitgang verdwijnen, ja, deze „Godenschemering" (= het gericht over de goden.) is al begonnen, die „vernietiging van God" is maar een kwestie van tijd. Bij allé vijandschap tegen den godsdienst is de theorie van Loenatsjartsky toch nog ernstig en gematigd, vergeleken bij de praktijk van nu. De toenmalige emigrant tracht niet alleen den godsdienst te begrijpen, maar ook van zijn standpunt „op biologische wijze" te v e r k 1 a f e n; hij ziet in den godsdienst „d a t denken en gevoelen, 't welk voor den mensch psychologisch de tegenstelling tusschen de wetten des levens en de wetten der natuur opheft"; en hij kan er in komen, dat de mensch uit harde en practische noodzakelijkheid zijn schijnbaar onontkoombare afhankelijkheid van onbekende oorzaken, niet anders kan verklaren dan door God in te schakelen. Ook al moet het geloof in God in zijn bestaanden vorm vernietigd worden, dan wordt dit niet zoozeer door rechtstreeksche, • godvijandige propaganda geëischt, maar eenvoudig aan den arbeid en „de wijsbegeerte van den arbeid d.w.z. de natuurwetenschap" overgelaten, die dan wel van zelf, en door den daarmee verbonden groei van het zelfbewustzijn van den mensch, de vernietiging van het bijgeloof ten gevolge zullen hebben.

Sluiten