Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

binnenlandsche tegenstanders, na langdurige worsteling in den wereld- en burgeroorlog of na zware gevangenisjaren van den enkeling, een sterke behoefte aan rust openbaarde of een zekere verzachting der tot nu toe gevolgde radicale revolutiemethodes voorstond. Daardoor echter kwamen ze in dat stadium, dat de bolschewistische revolutietheorie „verburgerlijken" noemt; in zulke gevallen van „verburgerlijken" nu wendt het centraal-uitvoerend comité der partij gewoonlijk steeds nieuwe middelen aan, waarmede het de leden der eigen organisatie zoowel als de massa der overige arbeiders prikkelt, opzweept, in onrust brengt, opnieuw „revolutionneert" en van de verderfelijke „rust" bevrijdt. Evenals uit deze revolutiebeginselen steeds nieuwe leuzen ontstonden („Weg met de cholera!" „Weg met de witte garde" „Leve het electriseeren" „Op naar het proletarisch arbeidersfront!" „Het vijfjarenplan vooruit!") zoo was ook de nu uit tactische overwegingen aangeheven strijdkreet: „Weg met den godsdienst" zulk een middel, om de menigte, welke men niet geheel in zijn macht meer had, op te zweepen.

Daarbij kan zeker niet ontkend worden, dat de Russische kerk van voor de revolutie geen of zoo goed als geen voorbereidingen getroffen had tot een ontmoeting met het Marxisme, en dat nog wel in zulk een geweldigen omvang. Zoowel de opkomende arbeiderskwestie in het algemeen, als ook de bolschewistische revolutie in het bijzonder, hadden de Russische hiërarchie in haar geheel of volkomen verrast of eenvoudig tegen beter weten in onwerkzaam gevonden: het was toch van oudsher bij deze geestelijkheid een oud gebruik, dat ze meer als staatselement poogde in te werken door de kracht van het getuigenis, dan door voorbereiden taaien, actieven arbeid, godsdienstig doorzettingsvermogen of zelfs slim berekend offensief. Zoo kwam het, dat bij de door de geweldige activiteit van het bolschewisme noodzakelijk geworden ontmoeting van laatstgenoemde met de kerk, deze steeds passief bleef en nooit eenige noemenswaardige poging tot eigen initiatief aanwendde. Ook daarvoor zijn redenen te over. Het ligt reeds in het wezen van het anatolisch christendom, meer statisch dan dynamisch te zijn, meer het duldende en lijdende, dan het actieve en offensieve te vertegenwoordigen. De Oostersche kerkén zijn nu eenmaal meer innig aanbiddende, dan militante of zegevierend strijdende kerken. Haar kracht ligt meer in het mystieke schouwen, ascetisch lijden en ontologisch peinzen dan in georganiseerd handelen, krachtdadig zending-drijven, energisch politiek beoefenen. Het is geen toeval, dat de groote Oostersche kerk in verhouding tot de Westersche zoo goed als geen uitwendige zending heeft en die misschien ook niet wil hebben.

Sluiten