Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

godsdienstige pachtgoederen verbonden onkosten te dragen, vooral de kosten tot instandhouding der kerkgebouwen en de pachtsommen aan den staat, maar ook het onderhoud der kerkelijke functionarissen (geestelijken, diaconen, kosters met hun families) uit eigen middelen te bekostigen — mogen de afzonderlijke godsdienstige groepen toch geen belastingen opleggen of van hun leden geregelde bijdragen eischen. Elk lid is slechts verplicht tot die bijdragen, tot welke hij zich vrijwillig verbonden heeft, maar een zich onttrekken aan deze verplichtingen mag geen kerkelijke maatregelen ten gevolge hebben, maar is hoogstens te onderwerpen aan een rechterlijke beslissing. Daar buitendien de afzonderlijke godsdienstige groepen tot 1929 noch een zegel voeren, noch ambtelijke of andere documenten opstellen mochten, was het bestaan ook van de lagere belijdende genootschappen tegenover den staat slechts een juridisch hoogstens getolereerd bestaan — en had persoonlijk op niemand zoo nadeeligen invloed als op de „religieuze dienaars van den eeredienst".

De vroeg-middeleeuwsche Russische verordening voor de erfopvolging kende voor vorsten, van wie in de reeks der voorvaderen de vader te vroeg stierf, het treurige lot van „uitgestootenen", „onterfden". Ze werden van de verdere familieleden afgezonderd, van het recht der troonsopvolging buitengesloten en golden geheel voor genealogisch minderwaardig. Buitendien viel dit lot van een rechtlooze een ieder ten deel. die op een of andere manier uit zijn stand of kaste uitgestooten was: de popenzoon, die niet lezen kon, de koopman, die in schulden geraakte, de lijfeigene, die zijn meester ontvluchtte, allen waren gedeclasseerd, minderwaardig, uit hun kring verbannen, ja bijna vtagelvrij. Alleen in den oorlog of door kolonisatie arbeid in de oerwouden kon zulk-een uitgestootene (Russisch isgoi) zich weer tot een gerechtelijk erkenden stand opwerken, anders was zijn leven onderworpen aan smadelijk gebedel of deemoedige verachting. Aan het lot van deze rechtloozen herinnert de bolschewistische wetgeving in alle onderdeden, die ze wijdt aan de geestelijken van een godsdienstige groep. Alle door hun beroep op een of andere wijze aan den eeredienst verbonden dragers van kerkelijke ideeën, bisschoppen, geestelijken van alle rangen, monniken, diaconen, koster-leeraars, zdfs klokkenluiders en beroeps-voorzangers of kaarsendragers behooren (Art. 65 van den grondwet der R.S. F.S.R.) tot de categorie der „niet-arbeidenden". Ze hebben noch actief, noch zdfs maar passief stemrecht, mogen noch tot rechterlijke noch tot wdke andere hoogere staats- of genootschapsambten toegelaten worden, en moeten ook in geval van strafrechtelijk onderzoek, dat met hun kerkelijk ambt in het geheel niets te doen heeft, hun behooren tot die klasse als verzwarende omstandig-

Sluiten