Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lot der kloosters. Ze zijn alle in beslag genomen en het gebruik ervan voor sanatoria, schoolgebouwen, rusthuizen of tehuizen voor invaliden hangt van de plaatselijke sowjets af. Een uitzondering vormden tot 1929 slechts die kloostergemeenschappen, die zich in arbeidcommunes (z.g. „Artels") hadden veranderd en wier werkelijke productiviteit door de regeering onderzocht werd. Ze werden naar hun bewoners in „arbeidende" en „niet-arbeidende" ingedeeld, hadden ook het recht, onder de gebruikelijke voorwaarden hun kerken te pachten, mochten echter van de godsdienstoefeningen geenerlei inkomsten trekken en moesten overigens (besluit van 29 Maart 1919, Art. 499) aan alle aanvragers het toetreden tot hun kloostergemeenschap veroorloven, zonder inachtneming van hun geloofsbelijdenis. Op den wensch van het volk kunnen overigens ook de kloosters te eeniger tijd „gehquideerd" d.i. gesloten of vernield worden.

De drukkendste beperking op het gebied der inwendige zending is voor de kerk het algemeen verbod voor godsdienstonderwijs. De afzonderlijke bepalingen daarover zijn niet eensluidend, spreken elkaar zelfs hier en daar tegen. In het gronddecreet was „privaat» onderwijs" b.v. nog uitdrukkelijk geoorloofd (Art. 9), daarentegen werd in een decreet van het Al-Russisch Centraal Uitvoerend Comité van 13 Juni 1921 dit onderwijs slechts bij personen boven de 18 jaar veroorloofd, werd toen echter door een andere toelichting (21 Januari 1922) tenminste in de kerk nog mogelijk. De practijk is thans zoo. dat elk godsdienstonderwijs in scholen, kerken of zelfs in groepen verboden is (toelichting van 16 Juli 1924). Een uitzondering vormt slechts het huisonderwijs, waarbij echter het aantal der te onderwijzen kinderen niet meer dan drie mag zijn — zelfs wanneer het gaat om broers en zusters (toelichting van 1 Sept. 1924). Overtreders kunnen volgens art. 121 van het wetboek van strafrecht (dwangarbeid tot één jaar) of langs administratieven weg gestraft worden (circulaire van 1 April 1924).

Hoe hield de kerk zich tegenover al deze nieuwe verordeningen? Het kan niet ontkend worden, dat gedurende de eerste jaren in ruimen kring der bevolking en van de hiërarchie een geweldige moedeloosheid en een volslagen gebrek aan oriënteering om zich heen greep. Elke diocezaan- of zelfs rijksorganisatie der kerk was wettelijk uitgesloten, de uitoefening van eenigerlei hiërarchische macht, ja zelfs de ontvangst van een ambtelijk schrijven door afzonderlijke bisschoppen in hun kwaliteit werd onmiddellij gestraft; in de gemeenten zelf heerschte óf verwildering en onverschilligheid, óf in het beste geval hevige gewetenskwelling daarover, welke van de vele hiërarchieën de zaligmakende zou wezen; bij dit alles kwam de absolute godloosheid der opgroeiende jeugd, de vernietiging van

Sluiten