Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een opkomende generatie bekwame priesters en de wilde, gedeeltelijk zelfs vernederende actie, waarmee de afzonderlijke afgescheiden kerken spoedig de geloovigen op hun zijde trachtten te krijgen, een scheuring, die aan. den staat het treurige beeld van een tegen zich zelf verdeelde kerk aanbood. Deze wist nu handig van het voordeel partij te trekken. Steunend op de formeel onaantastbare wetten, kon deze na de geslaagde gewelddadige deeling nu ook het tweede doel bereiken: de onderwerping. Het voorwendsel daartoe boden de voorschriften over registreering der religieuze groepen en hun horizontale en verticale organisatie; wilden de kerken nog in wettelijken zin kerken blijven, en niet in losse gemeente-atomen oplossen, dan moesten ze het verzoek doen tot hun „legaliseering", daarbij echter den weg inslaan van particuliere onderhandelingen, die ten slotte voerde tot bijzondere, met den staat afgesloten verdragen, welke steeds met een onderwerpingsclausule begonnen. Al deze onderwerpingsdocumenten vertoonen een typisch beeld: ze bevatten allereerst een zoo scherp mogelijk geformuleerde eigen schuldbekentenis, gaan dan over tot een schildering van een voor beter erkend nieuw inzicht en eindigen steeds met een plechtige erkennnig der Sowjetregeering alsmede de opwekking aan alle medechristenen, zich eveneens berouwvol aan de nieuwe, alleen juiste heerschappij te onderwerpen.

Aan het hoofd van deze documenten staat de onderwerping van den patriarch Tychon zelf (gepubliceerd 27 Juni 1923) die luidt: „Ik acht het mijn plicht, als priester de volgende verklaringen af te leggen: Ik ben in monarchistisch gezelschap opgegroeid en daar ik mij onder invloed van aan de sowjet vijandige personen bevond, was ik inderdaad jegens de sowjetregeering vijandig gezind én heb deze vijandschap door mijn handelwijze tot uitdrukking gebracht. Ik heb bijvoorbeeld den oproep over den vrede van Brest-Litowsk uitgevaardigd, tegen de sowjetregeering in het jaar 1918 den ban uitgesproken en heb mij tegen het besluit van het jaar 1922 over het in beslag nemen der kerkschatten in een oproep uitgesproken. Terwijl ik de rechtvaardigheid van het gerechtelijk besluit, om mij voor het gerecht te dagen, erken, gevoel ik berouw over mijn tegen de staatsregeling gerichte beleedigingen en verzoek het hooggerechtshof mij uit de gevangenschap te ontslaan. Voortaan ben ik geen vijand der sowjetregeering. Tenslotte verwerp ik beslist bewegingen van de witte garde en monarchistische of anti-revolutionnaire bewegingen in binnen- en buitenland." De onderteekening onder dit document is ongetwijfeld echt; dat er echter reeds uit een oogpunt van stijl aan getwijfeld wordt, of dit geschrift werkelijk door den ontwikkelden en aan een geheel anderen kanselarijstijl gewende kerkvorst is opgesteld, is reeds vroeger opgemerkt.

Sluiten