Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sing heeft. Daarom is ook de, door de regeeringsbladen den H-16en Maart 1930 aangekondigde zoogenaamde „koersverandering" van het centraal uitvoerend comité niets anders, dan slechts een opnieuw den nadruk leggen op de strikte wet en een waarschuwing aan de besturen tegen formeele beleediging van den letter van het recht.

Naast verlichtingen zijn er echter in de wet van 8 April 1929 ook zeer vèel nieuwe verzwaringen. Allereerst werd ook nu nog niet met de practijk van tot nu toe gebroken, bijzonder geliefde religieuze groepen van de eene richting tegen de christelijke zustergemeenten van een andere richting uit te spelen. Te dien einde verschijnt de bepaling, die tot nu toe aan de bevoorrechte omwentelingskerken de plicht oplegde, voor hun aparte gemeenten minstens 50 geloovigen op te geven, nu in dien zin gewijzigd (Art. 3) dat ook voor deze bevoorrechte genootschappen hetzelfde minimumaantal vereischt wordt, dat tot nu toe slechts voor hun gedeclasseerde broedergemeenten vereischt werd, n.1. 20. Uit deze gelijkstelling in getallen volgt echter niet, dat nu ook de bijzondere bevoorrechting van de „genootschappen" boven de „groepen" vervallen is, daar deze onderscheiding ook verder blijft bestaan en het dus in handen van de registreerende plaatselijke besturen ligt (Art. 4 en 5) de rangschikking onder de eene of de andere groep naar believen door te voeren of (Art. 7) zonder opgave van redenen een registratie te eenenmale te weigeren.

Een andere belasting voor de kerken, die in de practijk sedert een jaar bewezen heeft bijna ondragelijk te zijn, is een in het nieuwe decreet vervatte bepaling (Art. 19. deel 1) die de zielszorg voor alle geestelijken beperkt tot de plaats van hun vast verblijf en elke kerkelijk-godsdienstige werkzaamheid buiten de woonplaats verbiedt. Daarmee is weliswaar de mogelijkheid nog niet uitgeschakeld, vetste bijgemeenten als zielszorger te dienen (Art. 19, deel 2) maar de zending door rondreizende predikers of een toespraak van hoogere geestelijken ter gelegenheid van een priesterwijding, visitatie, bedieningen of begrafenissen in plaatsen, die wel tot hun diocese behooren, maar niet hun vaste woonplaats zijn, is door de nieuwe wet onmogelijk gemaakt; ook de bediening der in de wet voorziene bijgemeenten stuit overigens op groote moeilijkheden vanwege de overheid, daar voor elke reis een duur paspoort aangeschaft en dat der geestelijken bijzonder duur gestempeld moet worden. De in het nieuwe decreet vervatte bepaling (Art. 10) dat elke gemeente slechts een enkel bedehuis mag hebben, is weliswaar alleen gericht tegen enkele g roo t es tads-gemeen ten, maar was toch altijd afdoende genoeg, om dadelijk eenige kathedralen te onteigenen of verscheidene „religieuze groepen", die zich in een

Sluiten