Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Brief van een boer van den 2en Febr. '30.) Een ander kleedt bet in in deze woorden: „Een gruwel der verwoesting speelt zich bij óns af. Het rijk is in materieel en geestelijk opzicht reeds gestorven. Het gaat reeds tot ontbinding over en is tot aas geworden; het gericht Gods zal komen. In onzen kring zijn 42 dorpen, waaronder er nog slechts 4 zijn, waar godsdienstoefening gehouden wordt. Alles vreest, het stemrecht te verhezen en uit huis gegooid te worden.

(Brief van een boer van 30 Januari '30.)

Een derde klaagt:

„Ze ontnemen den menschen alles en jagen ze de straat op. Bij onze buren zijn ze 's morgens gekomen en hebben het vermogen geconfisceerd en voor den avond moesten ze huis en hof ontruimen. Zoo gaat het honderden. Wij zitten nu als de vogels op den tak, elk oogenblik kan ons hetzelfde overkomen."

Den toestand van volslagen beroofd zijn van rechten en van willekeurig geweld schildert de volgende brief op aanschouwelijke wijze:

„Alles in het dorp is opgeschreven: alles wordt gecontracteerd, d.w.z. al het vee en gevogelte mag noch verkocht, noch geslacht worden. Ook het ongeboren kalf is meegecontracteerd, eveneens het biggetje als toekomstig varken — het moet opgefokt en aan den staat afgeleverd worden. Ook voor eigen behoefte mag niets gebruikt worden, daarop staat gevangenisstraf. Zelfs het grootste deel van de melk is in den greep van den niet te verzadigen staat. Menschen, die jaren geleden met verlof der overheid koren aan privaathandelaars verkocht hadden, worden nu achteraf zwaar gestraft. Ook de boeren, die indertijd, toen het nog geoorloofd en heel gewoon was, hun boerderij met hun zoons deelden, worden nu opeens aangeklaagd en in de gevangenis geworpen. De staat schendt zelf de wet en zoekt nog slechts gelegenheid de boeren totaal te vernietigen.

Wij hebben tegenwoordig twee soort „kulaki"; die, welke van huis en hof verdreven zijn, maar in de buurt bij familie en bekenden onderdak gevonden hebben, en zulke, die met vrouw en kind bij 20 graden vorst de steppe ingejaagd zijn» De onderdak gebrachten hebben een hard leven. Want al hebben ze ook niets meer, — men heeft hun huis en hof, vee en akkers, meubelen en kleeding ontnomen — toch verlangt men van hen, dat ze vele poed tarwe, knollen, gras enz. zullen uitzaaien, zaaigoed afleveren, belasting betalen en boeten opbrengen. Natuurlijk kunnen zij het niet, dan gelden ze echter voor „kwaadwillige wanbetalers" en worden door de overheid gegrepen en weggestuurd.

In één geval was de korenbelasting zoo hoog, dat slechts 10 %

Sluiten