Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duim te houden. Zoo zijn bijv. (volgens opgave van Bolschewistische kranten) in acht arbèiderskolonies van het gouvernement Wladimir in het jaar 1924, 4462 emmers (een emmer heeft een inhoud van pl.m. 60 L.) sterken drank gebruikt, in 't jaar 1925

22.183, en in 't jaar 1926 62.068! Binnen 3 jaar een toeneming

met 1200 procent! Heele dorpen zijn besmet met geslachtsziekten. Het percentage geslachtszieken onder schoolkinderen is ontroerend hoog: eenige jaren geleden was dit op de scholen in Petersburg — 52 procent!!

Dat zijn de grondslagen van het leven in Sowjet-Rusland. Wat zijn nu de resultaten? Het volk is verarmd, gedegradeerd; diepe smart staat op de gezichten te lezen. Moskou is een stad, waar men niet of bijna niet lacht. Daarnaast treffen we ook den heldenmoed des geloofs, der volharding en ook den moed om te belijden.

En hoe ziet de nieuwe mensch er uit? De bewust en beslist bolschewistische mensch? Want die is er ook: we vinden ze vooral onder de jeugd, ofschoon het aantal betrekkelijk niet groot is. Zij behooren tot de communistische partij en. tot den ..Bond van de communistische jeugd"; alles bij elkaar ongeveer anderhalf procent van de heele bevolking; daaronder zijn er velen eenvoudig meeloopers, die uit gemis aan moed of uit jacht op een baantje en om vooruit te komen, lid geworden zijn.

De beste en treffendste schilderingen zijn die van de sowjetgezinde schrijvers zelf. Die zijn van een verbluffende, ja cynische openhartigheid en soms van een groote kracht van voorstelling. Wat door ons als slecht beschouwd wordt, is van bolschewistisch standpunt bezien normaal, ja gewenscht en wordt als voorbeeld gesteld, hoe 't moet wezen. Men leze slechts: „De maan van den rechterkant", door Malaschkin, of „Hondestraatje" door Gumilevski, of „de Afvallige" door Lidin; voorts: „Zonder ruiker", door Pantelij Romanow, of „Bekenden en! onbekenden" door Nikandrov, of „Virineja" en „De ontmoeting", en „Mest" door Sejfullina, of „De misdaad van Kirin Rudenko" door Nikitin en „De dronken zon" door Gladkov, allemaal sowjet-gezinde schrijvers, enz. — en één beeld doemt vóór ons op: een dierlijk, wellustig, in zijn wellust bandeloos, vuil-dof voortleven, zóó walgelijk en vies, dat soms zelfs de bolschewisten van die demoralisatie huiveren. Men leze vooral de gesprekken tusschen mannelijke en vrouwelijke studenten in „Hondestraatje" en in „De maan van den rechterkant" en de beschrijving van den ontspannings- en vacantietijd van de Bolschewistische vooraanstaande partijbeambten en jonge Komsomoltzy (= leden van den communisfischen jeugdbond) in het Sanatorium in den Kaukasus in de „Dronken zon". Het is een grinnikende, schreeuwende, tierende, dierlijk bandelooze kudde, die zonder eenige terug-

Sluiten