Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanmerkelijk kleiner dan het door haar abusievelijk genoemde 56 ■m¥ veroorzaakt wordt, doordat in vroegere jaren groote aantallen leerlingen geen prijs stelden op het verkrijgen van het eindexamendiploma, omdat er niet zooveel rechten aan verbonden waren als thans.

De Commissie-Welter deelt deze laatsten maar eenvoudigweg bij de groep der „mislukten" in. Tot deze „mislukten" behooren dan, om slechts een paar grepen te doen, bekleeders van de volgende ambten en betrekkingen: hoofdingenieur van den waterstaat; directeur Museum Land- en Volkenkunde; minister van marine; hoofdadministrateur van een cultuuronderneming op Java; oud-advocaat, directeur cultuurmij.; hoofdingenieur van een machinefabriek, later directeur; generaal-majoor der infanterie; commandant der veldartillerie; gezant; hoogleeraar; vice-admiraal; notaris; ontvanger; arts, enz., enz.

In vroeger jaren was het einddiploma Hoogere Burgerschool in tal van gevallen niet noodig, waar het thans wel vereischt is. Zoo deed men vroeger, om een voorbeeld te noemen, toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie te Breda na de vierde klasse. Ook verliet een zeker percentage leerlingen de H.B.S. reeds uit de derde of vierde klasse om naar vakscholen of instituten over te gaan.

De Commissie zal wel niet gelezen hebben, wat Vaes schrijft op blz. 43 van zijn Statistiek „Er mag natuurlijk niet worden gezegd, dat het onderwijs aan de andere 56 % nutteloos is geweest; immers kwamen een aantal 1.1. met de bedoeling, te worden voorbereid voor de Zeevaartschool, voor het Kon. Instituut van de Marine (in vroegere jaren) voor de Kon. Milit. Ac. te Breda of de (in Augustus 1928 opgeheven) hoofdcursus te Kampen. Of met het doel voldoende van talen te leeren om op een kantoor verder te kunnen komen, of bij de post en telegraphie te kunnen worden benoemd, enz."

Vervolgens mogen wij tegenover de Commissie-Welter opmerken, dat Vaes (v.g.1. blz. 49 no. 5 zijner Statistiek) geen gedetailleerde opgaven, maar slechts globale uitkomsten geeft. Zoo heeft hij de bijna 4000 leerlingen in hun geheel gerekend en niet daarvan afgetrokken degenen, die bij het teekenen van het diagram, plaat II, nog leerling waren, waardoor het percentage van 44 al direct met ongeveer 3 % zou stijgen.

Het werk van Vaes had de Commissie-Welter kunnen leeren, dat men op het gebied der statistiek met conclusies voorzichtig moet zijn. Om uit de gegevens van Vaes conclusies te trekken, waardoor men zich zal kunnen laten leiden, is er heel wat

Sluiten