Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

statistiek zijn op te bouwen. Hetgeen daaromtrent thans bestaat, kan dien naam niet dragen."

Nu handelt de Commissie-Welter op pagina 173—175 over de Statistiek in het algemeen en wil ook daarop bezuinigen. Doch daartegenover plaatst zij de opmerking:

„Daarnaast valt te wijzen op tal van nuttige, zelfs onontbeerlijke statistieken — wij denken b.v. aan de voortreffelijke onderwijsstatistiek1), aan de zorgvuldig bewerkte maandelijksche conjunctuurverslagen en aan de driemaandelijksche economische overzichten —, waarop o.i. zeker niet mag worden bezuinigd."

Gezien het bovenstaande en het feit, dat eerst bij de begrooting 1928 door de Staren-Generaal gelden voor de nieuwe inrichting van de onderwijsstatistiek beschikbaar werden gesteld, vragen we ons af, of deze „voortreffelijke onderwijsstatistiek" in één of twee jaar tijds zoo maar uit den grond gestampt kon worden.

Als de Commissie-Welter in haar rapport bij het hoofdstuk „Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs" arriveert, dan neemt zij echter niet de officieele statistiek als uitgangspunt, maar den arbeid van Révész en Vaes.

En dan treft het verder, dat de Commissie op deze plaats van de door haar op blz. 174 zoo hoogelijk geprezen „voortreffelijke onderwijsstatistiek" opmerkt:

„Om de vraag hoeveel van de leerlingen, die tot de eerste klasse van een gymnasium of hoogere burgerschool worden toegelaten gemiddeld het einddiploma halen, heeft de officieele statistiek zich tot dusver niet bekommerd."

In een noot voegt de Commissie er aan toe:

„Naar ons bekend is, heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek, waaraan de bewerking van deze statistiek thans is opgedragen, maatregelen genomen om in deze ernstige leemte te voor-zien."

Erg duidelijk wordt de situatie op het gebied der onderwijsstatistiek na kennisneming van bovenstaande voor ons niet. Doch misschien geldt dit ook voor de Commissie-Welter zelve ...

Niettemin durft een Commissie, die zóó slordig werkt, de meest ver-gaande voorstellen te doen tot blijvende afbraak van het Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs.

Ongelijke behandeling van Hooger en Middelbaar Onderwijs.

Bij vergelijking van het hoofdstuk betreffende het „Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs" met het hoofdstuk, dat het rapport aan het „Hooger Onderwijs" wijdt, is het Hoofd-

*) Cursiveering van ons.

Sluiten