Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE TOOVERSTAF

Toen de oude heer zwaar ziek lag en zijn einde naderde had de familie mij laten roepen. Dit was zeer zeker buiten weten en tegen den wil van den patiënt geschied, want deze had het gedurende zijn geheele leven zonder hulp van een dokter kunnen stellen en zich voorgenomen om op deze goede gewoonte ook nu geen inbreuk te maken. Ik kende den ouden zonderling reeds van vroeger, toen ik hem eens had opgezocht om eenige inlichtingen omtrent chineesch porcelein te vragen en ik had daarbij een vluchtigen blik mogen slaan op zijn verzameling curiosa die hij gedurende zijn langdurig zwerversbestaan in alle plaatsen van den O. I. archipel had bijeengebracht. Altijd in de wildernis geleefd hebbende, en genoodzaakt om, in geval van ziekte, zich zelf en anderen te helpen, had hij zich een algemeene kennis omtrent geneeskundige vraagstukken eigen gemaakt, en zijn critische geest en sarcastisch karakter waren de oorzaak dat, toen bij dit eerste onderhoud tevens enkele medische kwesties ter sprake waren gekomen, de geneeskundige wetenschap er vrij „gehavend" afkwam. Ik had bij mijn vertrek zoo'n beetje het gevoel alsof ik bij Molière te biecht was geweest en zijn diepe kijk op de dwaasheden en tekortkomingen van anderen had niet nagelaten mij tot nadenken te stemmen. Ik had mij dan ook geen al te groote illusie gemaakt omtrent de medische rol die ik bij dezen patiënt „malgré lui" zou kunnen spelen en de woorden waarmee hij mij aan zijn ziekbed ontving: „wat

Sluiten