is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en anders te willen, maar zoolang die vrijheid niet gebruikt werd om verkeerd te denken en verkeerd te willen, ging zijn natuurlijke neiging naar het goede.

De door God geschapen mensch was dus oorspronkelijk in een toestand van goed denken en goed willen, of zooals de Bijbel zegt, „van gerechtigheid, waarheid en heiligheid".!) En aan dien innerlijken aanleg beantwoordden ook zijn uiterlijke omstandigheden. De aarde was voor hem een paradijs, de arbeid een vreugde en heerschappij, zijn lichaam een tempel van heerlijkheid, die door geen ziekte of kwaal geplaagd werd.2) Hij was ten leven bestemd en niet ten doode. Ook zijn lichaam, hoewel als stof aan verandering onderhevig, zou een weg ter heerlijkheid opgaan.

Zoo is dus de mensch van oorsprong geschapen in een toestand, die hem in staat stelde krachtens zijn aanleg den weg ter volmaking te gaan, want alles aan hem was goed. Men noemt dien staat van den pas geschapen mensch den „staat der oorspronkelijke rechtvaardigheid". In dien staat moest de mensch zich door zijn heerlijken, hem door God geschonken aanleg ontwikkelen tot zijn door den Schepper gestelde bestemming.

§ 10. De mensch en de zonde

De wereld is een tooneel van strijd en lijden. Ieder mensch ervaart dit op zijn tijd en constateert, dat, als alles goed was in de wereld, deze wereld anders zou behooren te zijn. Niets is blijkbaar volmaakt, alles is gebrekkig, alles kon beter zijn dan het nu is. Maar in den mensch is die ervaring nog sterker. Hij ondergaat niet alleen het onvolmaakte en verkeerde, maar hij doet het zelf; en als hij dat verkeerde doet, dan voelt hij zich schuldig en weet hij, dat hij het niet mocht doen, dat hij den plicht heeft anders te zijn, beter te zijn, volmaakt te zijn. Het den mensch ingeschapen schuldbesef zegt hem, niet

i) EL 4:24.

») Gen. 2 :8—15.