is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn hart, d.w.z. zijn innerlijk wezen, zijn wil en denken en geweten, zijn begeerte en genegenheid, dat alles is bedorven.1) En de zonde is zoozeer meester over hem, dat hij onmachtig is uit eigen kracht iets goeds te doen; zij is de verkeerde richting van zijn wil, die hem telkens weer tegen beter weten en willen in, er toe drijft het verkeerde te doen.2) De mensch is zoodoende verkocht aan de zonde8) en de slaaf der zonde.4)

Het is duidelijk, dat de Bijbel zoo spreekt, omdat bij het algemeen verschijnsel der zonde afleidt uit den val van den eersten mensch. Het kwaad plant zich voort in zijn wezen en in zijn gevolgen. Ieder mensch doet opnieuw zonde, omdat hij reeds bij zijn geboorte zondig is, en door dien zondigen aanleg wordt hij zelf door eigen daad ook weer zondaar. Wat uit vleesch geboren is, is vleesch.8) En zondigheid is niet slechts een toestand van ziekte en ellende, niet maar beklagenswaardige besmetting, maar een toestand van afgekeerdheid van God, een staan buiten Gods sfeer van genade.

Paulus heeft in Rom. 5 i 12—21 en 1 Kor. 15 : 21. 22, dit duidelijk gezegd. De eerste mensch zondigde en bracht den dood in de wereld, en nu zondigen en sterven allen. Met dien eersten mensch hangen allen onverbrekelijk samen; door dien éénen en eersten kwam de ongerechtigheid in de wereld. Maar omdat wij nu de schuld en de gevolgen van dien eersten mensch moeten dragen, kan ook de gehoorzaamheid en rechtvaardigheid, de zondeloosheid en volstrekte heiligheid van Christus, die de andere eerste mensch is, oorzaak zijn, dat wij allen weer teruggebracht worden tot den staat van gehoorzaamheid en rechtvaardigheid voor God. Gelijk wij met Adam als het hoofd van het menschelijk geslacht samenhangen, zoo hangen wij ook met Christus samen als het Hoofd van het nieuwe menschelijk geslacht.

Al deze gedachten heeft de kerk willen uitdrukken in het

') Mk. 7:21—23.

2) Rom. 7 :7—25.

3) Rom. 7: 14.

*) Rom. 6 :16, 20. Joh. 8 : 34, 1 Joh. 3:8. *) Joh. 3 : 6.