Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat „den dood sterven" iets veel bitterders nog bedoelde dan den lichamelijken dood. De zonde doodt, en de zondaar is een doode;1) in hem is het geestelijk-zedelijk leven zóó verkeerd, dat het met dood gelijk staat. Hij, wiens zonden vergeven worden, heet dan ook „opnieuw geboren";2) hij wordt van den dood overgevoerd tot het leven.6)

Het woord „dood" wil vooral den nadruk leggen op de onmacht van den mensch om het goede te doen. De zonde brengt altijd weer nieuwe zonde voort, en dit is haar vreeselijke straf. Aan de vruchten kent men den boom en van doornstruiken plukt men geen druiven.4) En dat komt, omdat de zonde den mensch afsnijdt van den zuiveren voedingsbodem, hem afsnijdt van de Bron des levens, n.1. van God.

Die onmacht, die wij dagelijks ervaren, wil echter niet zeggen, dat wij nu ook niet meer vatbaar zouden zijn voor het goede. Neen, de mensch blijft ook na de zonde een zedelijk wezen, dat door zijn geweten en door wet en gebod en Evangelie voortdurend pijnlijk aan zijn zondigheid herinnerd wordt. De mensch is door de zonde geen dier en ook geen duivel geworden, — hij is gebleven „Gods beeld". Maar dat „beeld Gods" is in hem schandelijk verduisterd, zóó erg, dat hij uit zichzelf niets goeds meer doen kan. God niet meer liefhebben of in Hem gelooven kan, „tenzij Gods barmhartige genade hem voorkomt", zooals een der oude kerkvergaderingen zeide.' Alle geestelijke en zedelijke vermogens van den mensch zijn verzwakt en in hun oorspronkelijke kracht gebroken. Zijn wil is slaaf der zonde geworden6) en voortaan het middelpunt van de hachelijkste tegenstrijdigheid.6) Zijn kennis is verduisterd7) en altijd in verzet tegen Gods wijsheid.8) Zijn begeerte gaat altijd heimelijk uit naar het schan-

>) Ef. 2: 1, Kol. 2: 13.

2) Joh. 3:3, Ut 3:5.

») 1 Joh. 3 : 14.

*) Mt 7: 16—18.

») Joh. 8 : 34.

• ) Rom. 7 :14—23.

') Ef. 4:18, 1 Petr. 1:14.

8) 1 Kor. 1:17 — 2:16.

Sluiten