Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich niet in vrijwillige gehoorzaamheid naar Gods wil. Dat heeft een duisternis van lijden gebracht, waarin alles zonder uitzondering deelt. Men kan vragen: hoe kan Gods werk zóó gebrekkig worden? Men houde in het oog, dat God alles tijdelijk en begrensd schiep; daarin is lijden en dood mogelijk, en die mogelijkheid wordt door de zonde werkelijkheid. Natuurlijk zou ook zonder zonde de wet der vergankelijkheid gegolden hebben, en zij heeft ook inderdaad gegolden van het begin der schepping af. Maar wij zien nu die schepping van onzen toestand als zondaars uit. En dan geldt het diepzinnig woord van Paulus: „Alle schepsel zucht".1)

Wij zien de gevolgen onzer menschelijke zonde zich nu uitstrekken over alles om ons heen; het is als een aanklacht tegen ons, als een voortdurende pijnlijke herinnering aan onze eigen zwakheid en onmacht.

Aan het einde van alle lijden staat de dood. Het Nieuwe Testament ziet vooral het verband tusschen zonde en dood zeer nauw. Door Adam kwamen de zonde en de dood tot alle menschen.2) Voor ons, menschen, is de dood het loon der zonde.3) De dood kan dat zijn, omdat de mensch naar zijn natuur aardsch is,4) zijn aardsche gedaante is aan verandering onderworpen. Maar God had oorspronkelijk die verandering bedoeld als een ontwikkeling ten leven, want in Gods gemeenschap is het leven. De zonde echter sneed die gemeenschap af, en daardoor werd 's menschen ontwikkeling een gang ten doode. De mensch bezat een „mogelijkheid om niet te sterven", zegt Augustinus, maar nu heeft de zonde er van gemaakt een „onmogelijkheid om niet te sterven".

De dood is de scherpste vorm, waarin onze verwijdering van God tot uiting komt. Wij huiveren er voor, onze natuur verzet zich er tegen. Dat komt, omdat wij in den dood tegelijk iets voelen, wat niet alleen ons lichaam, maar onze geheele persoonlijkheid raakt. Wij vreezen den dood niet sléchts als een einde van ons aardsche leven, maar als een afsnijding van het eeuwig leven in Gods gemeenschap. In den dood

<) Rom. 8:19—23.

2) Rom. 5:18, 1 Kor. 15:22.

») Rom. 6 : 23.

*) 1 Kor. 15:47.

Sluiten