is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat die gehoorzaamheid tot den dood des kruises toe voor Jezus zelf beteekende, kunnen wij lezen in Fil. 2 : 5—11. God heeft hem daarvoor ten hoogste verheven en Hem tot „Heer" over alles gemaakt. Maar er ligt in die gehoorzaamheid van Jezus nog iets veel heerlijkers voor ons. Zijn gehoorzaamheid is onze verlossing geworden.

Wat Jezus gedaan en geleden heeft, heeft Hij niet voor zichzelf gedaan en geleden. Hij droeg geen zondeschuld gelijk wij. Hij stond niet onder de dwingende, uit de zonde voortgesproten verplichting om Gods wil te volbrengen gelijk wij; Hij volbracht dien wil uit volmaakt vrije gegehoorzaamheid. Hij verloste dus niet zichzelf, want Hij had geen verlossing noodig. Als Hij een gewoon mensch was geweest zooals wij, dan had Hij zichzelf verlost, en wel zichzelf alleen verlost. Maar Hij is Gods Zoon, die menschgeworden is. Hij is „God in de menschheid", Hij is haar Hoofd. En als zoodanig breekt Hij de macht der zonde; de zonde staat machteloos tegenover Hem, voor het eerst machteloos tegenover den mensch, dien zij tot dusverre altijd overwonnen en in haar macht gehad had. Nu is haar macht gebroken. Want voortaan zal de macht van dien Godmensch over de menschen grooter zijn dan de macht der zonde over de menschen. Wie nu voortaan bij dien Godmensch behoort, aan Hem zich vasthoudt in liefde, geloof, en gehoorzame trouw, die kan van de macht der zonde bevrijd worden. Dat is de verlossing der menschheid door Jezus Christus.

Maar het is meer dan dat Het is allereerst verzoening van God met de menschheid. Er stond een muur tusschen God en de menschen, n.1. de zonde en haar macht. Geen mensch kon dien muur doorbreken. En wat gebeurt nu? God doet het zelf. Gods liefde zendt den Zoon.1) Gods liefde gaat tot de menschheid uit in den Zoon; dus God zelf in zijn Zoon breekt den scheidsmuur der zonde af en steekt de menschheid de hand der verzoening toe.

Alle zonde moet verzoend worden, d.i. zij moet teniet gedaan, uitgewischt worden, hetzij door vergeving, hetzij door

') Joh. 3: 16, 1 Joh. 4:9.