Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kerk vervult haar taak van leidsvrouw en moeder hoofdzakelijk op drieërlei wijze, n.1. door haar prediking, door haar genadebemiddeling en door haar innerlijk 1 e v e n en haar eerediens t. Eigenlijk zijn alle drie elk afzonderlijk een vorm van genadebemiddeling, maar hier bedoelen wij met het in de tweede plaats genoemde woord ..genadebemiddeling" vooral de bediening der sacramenten.

1. De kerk heeft de taak der prediking, nader gezegd: de taak der evangelieprediking.

Christus zelf zond zijn Apostelen uit om het Evangelie te prediken aan alle menschen. en hen allen te maken tot zijn leerlingen die zijn wil kennen, en tot zijn volgelingen die zijn wil volbrengen.1) Die prediking is in het kort gezegd: de verkondiging van bekeering en vergeving van zonden in den naam van Jezus Christus aan alle volken.')

Deze prediking geschiedt op grond van hetgeen de kerk aan geloofskennis bezit, en dat is: heel de schat van Christus' Evangelie. Zij bezit dien schat niet slechts in de levende herinnering, die hem van geslacht tot geslacht bewaart en overlevert, maar ook schriftelijk vastgelegd in den Bijbel, de Schriftuur van het Oude en Nieuwe Testament. Daaruit predikt de kerk. Oude en Nieuwe Testament houdt zij vast, want beide getuigen op eigen manier van Gods openbaring in Christus; de godsdienst der Wet (het Oude Testament) heeft zijn vervulling gevonden in den godsdienst van het Evangelie (het Nieuwe Testament), en wij verstaan Christus niet, indien wij niet den weg kennen, waarlangs God in het Oude Testament zijn komst heeft voorbereid.

De kerk is de bewaarster van dien Bijbel. Zij ontvangt uit dien Bijbel haar gezag en haar taak, maar zelf heeft zij dien Bijbel eerst gezag verleend, door zijn echtheid en geloofwaardigheid te belijden. Zij is ook de betrouwbare uitlegster van dien Bijbel, want zij is de vertolkster van het geloofsgetuigenis van al hare kinderen door alle geslachten en eeuwen heen. Zij beveelt daarom ook de lezing van dien Bijbel aan al hare

«) Mt. 28 : 19, 20, Mk. 16 : 15, Joh. 15 :27. *) Lk. 24:47.

Sluiten