is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een graf, waarin onze oude mensch met zijn zonden sterft en waaruit wij als nieuwe menschen verrijzen.1)

Gaat dit nu zoo maar? Worden er zonden vergeven, enkel en alleen door het toedienen van den Doop? — Neen, wij hebben het vroeger reeds gezegd (§ 22), dat de verlossing van den mensch geschiedt door zijn geloof, d.w.z. niet dat hij die verlossing door zijn geloof verdient, maar God kan hem eerst verlossen als hij gelooft. Ons hart moet dus voor God openstaan, wij moeten overtuigd zijn, dat God in Christus tot ons komt, ons helpen wil en tot zijn kinderen maken. Als wij zoover zijn, dan kan God zeggen: uw zonden zijn u vergeven. En dat zegt Hij in den Doop.

Zoo is dus de Doop een overgave onzerzijds, waardoor wij ons in Gods armen werpen, opdat Hij tot ons zegge: uw zonden zijn u vergeven. Daarom noemden wij den Doop een heilsmiddel. Wij behooren vóór den Doop tot de menschheid, die God niet kent in Christus. Maar door den Doop geven wij getuigenis, dat wij Hem nu wel willen kennen en door Hem als kinderen aangenomen worden. De Doop is dan Gods verzekering: ja. Ik neem u aan; gij zijt mijn kind, de oude schuld is vergeven, voortaan behoort gij Mij toe, en niets kan u rooven uit mijn hand, zoo gij slechts bij Mij blijft.

Zoo is dus de Doop de verzekering van Gods kant: gij zijt wedergeboren, gij zijt mijn kind, broeder of zuster van Christus en mede-erfgenaam van het eeuwig leven. Daarom beschouwt de kerk den Doop als het noodzakelijke genademiddel. Door den Doop trekt God ons voor goed in zijn licht, in zijn genade. Hij verklaart er door, dat de scheidsmuur der zonde nu weggevallen is. dat Hij met ons verzoend is en om Christus' wille ons aanziet als gerechtvaardigden en geheiligden. En God zelf is het. die ons in Christus dezen weg. dezen ingang in zijn Koninkrijk door den Doop gewezen heeft. Die weg is dus noodzakelijk voor onze zaligheid.

Natuurlijk is dat menschelijkerwijze gezegd. Wanneer de mensch eenmaal dit weet en gelooft, dan is die weg hem

') Rom. 6:3—11, 1 Kor. 6:11. 12:13, GaL 3:27. KoL 2:11. 12. Ut 3:5—7. 1 Petr. 3 : 21.