is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods rechterhand de heerschappij gaat aanvaarden over allen, die door Hem tot den Vader zullen komen. En de eerste daad zijner Koningsheerschappij is, dat Hij aan zijn dienaren de zendingstaak overdraagt, die Hij zelf van den Vader ontvangen heeft.

De overdracht van die taak. de verleening van die volmacht, is het heilig oogenblik hunner wij ding tot Apostel e n. Mattheüs zinspeelt er op aan het slot van zijn Evangelie, als hij den Heer laat zeggen, dat zij door de geheele wereld het Evangelie moeten gaan prediken, en dat zij allen die gelooven, moeten doopen, en hun moeten leeren alles te onderhouden, wat Hij hun bevolen heeft.*) Maar het uitvoerigst verhaalt Johannes het. Als Jezus na zijn verrijzenis aan de eb/en verschijnt, zegt Hij tot hen: „Vrede zij uhedenl Zooals de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ook ik u. En dit gezegd hebbende blies hij op hen en zeide hun: Ontvangt den heiligen Geest Wier zonden gij vergeven zult. dien worden zij vergeven; wier zonden gij houdt, dien zijn zij gehouden."2)

Daarmee zijn zij Apostelen geworden; gezondenen, wi dat zeggen. Zij komen dus niet in hun eigen naam tot de menschen, maar in Christus' naam. Van Hem hebben zij hun volmacht en taak. Zijn „gezanten" zijn zij.») zijn „dienaars" en „uitdeelers van zijn geheimenissen".4) Niets is het hunne, hun leer niet, hun geboden niet hun instellingen niet, — het is alles van Christus; geen menschelijke wijsheid leidt hem daarbij, maar Gods Geest.6)

Zulk een volmacht en taak kunnen natuurlijk door niemand anders dan door Christus zelf verleend worden, want Hij alleen is het Hoofd der kerk. Daarom is het verkenen van die volmacht en taak een genademiddel, een sacrament, waarbij Hij zijn apostelen den heiligen Geest geeft dien „anderen Trooster", die hun alles zou leeren en in alles zou leiden en bij hen volkomen zijn aardsche tegenwoordigheid zou verij Mt. 28:18—20, vgL Mk. 16:15. 16.

*) Joh. 20: 21—23.

3) 2 Kor. 5:20.

«) 1 Kor. 4:1.

») 1 Kor. 2 :1—13.