Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat wij schuldig waren te doen."1) Maar dat zal dan ook Gods maatstaf zijn in de vergelding van het loon zijner genade, n.1. deze maatstaf, of wij het verschuldigde gedaan hebben en goed gedaan hebben. En dan zal God het heerlijke genadewoord spreken: „Welaan, goede en getrouwe knecht, over weinig waart gij getrouw, over veel zal ik u stellen, ga binnen in de vreugde uws Heeren."2)

§ 33. De christen tegenover zichzelf

Als Jezus op grond van de groote zedewet verklaart, dat men den naaste moet liefhebben „gelijk zichzelven",3) dan is men geneigd over dat „gelijk zichzelven" heen te lezen, terwijl toch uit Jezus' woord blijkt, dat dit iets is, wat vanzelf spreekt. De mensch heeft zichzelf lief, en voor den christen geldt dat niet minder. Maar hij moet bedenken, dat die liefde tot zichzelf een zuiver christelijke liefde is, dus geen egoïstische liefde, die de liefde tot God en tot den naaste uitsluit, geen liefde die uitsluitend op eigen tijdelijk voordeel bedacht is, maar een liefde die hem nader brengt tot God en die dus in alle opzichten beantwoordt aan den drievoudig en band van geloof, liefde en hoop, die hem aan God bindt.

De christen heeft te bedenken, dat hij Gods tempel is, en dat de Geest Gods in hem woont;4) hij behoort niet zichzelf toe, want hij is voor een duren prijs door Christus gekocht.5) Wij behooren in leven en in sterven den Heer toe.6) In Christus zijn wij door God als kinderen aangenomen, in Christus zijn wij gereinigd, door Hem zijn wij als vrienden uitverkoren,7) en nu moeten wij in Hem blijven.8)

') Lk. 17:10.

2) Mt 25 : 19—23.

3) Mt 22:39.

*) 1 Kor. 3: 16, 17.

») 1 Kor. 6: 19, 20, 7 : 23, 1 Petr. 1 : 18, 19.

») Rom. 14: 7—9, 1 Kor. 3 : 23, 7 : 22, GaL 2 : 20.

7) Joh. 1 : 12, 13 : 10, 15 : 3, 14—16.

8) Joh. 15 : 4, 1 Joh. 2 : 6, 24, 28, 3 : 24, 4 : 13—16.

Sluiten