Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en heilig, geef mij de kroon, die Gij voor de reinen en heiligen hebt weggelegd? Men moet een Paulus zijn om te zeggen: „Ik heb den goeden strijd gestreden, mijn loop voltrokken, het geloof behouden; mij is nu de kroon der rechtvaardigheid weggelegd, waarmede mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, vergelden zal."1) Veeleer zullen wij zeggen: „Indien gij, Heer, de zonden gadeslaat, wie zal dan bestaan, o Heer?"2)

En daarom juist laten onze gedachten der liefde onze ontslapenen niet los. Wij kunnen het niet, want het zijn „onze lieve dooden". Als wij aan hen denken, denken wij hen met God samen. En zoo worden onze gedachten aan hen vanzelf biddende gedachten, die tot God gaan en Hem vragen: Heer, neem hen op in uw heerlijkheid, leid hen voort in geloof, liefde en hoop, doe hen groeien tot het licht der volmaking en breng hen door Christus eenmaal geheel in uw zalige nabijheid.

En als wij zelf eens zullen heengaan, wat zouden wij dan liever wenschen, dan dat de achtergeblevenen, die ons liefhebben, zóó aan ons zullen denken, dat iedere gedachte van hen een gebed tot God wordt voor ons?

Dat is het katholieke gebed voor de dooden. Meer niet.

Zoo deed reeds de oude christenheid, die altijd haar dooden herdacht in iedere samenkomst. Zij heeft ook wel eens misgetast in de middelen, die zij daartoe bezigde. In de gemeente van Korinthe gebeurde het wel, dat iemand zich liet doopen ten gunste van een ander, die reeds gestorven was en niet gedoopt had kunnen worden.3) Natuurlijk was het een kinderlijke en ook onjuiste gedachte, dat men zoo op aardsche, menschelijke wijze verhelpen kon, wat alleen God op goddelijke wijze kan goedmaken; maar er spreekt toch uit, dat men overtuigd was, dat het een gebod der christelijke liefde was, om de gestorven broeders en zusters biddend in Gods barmhartige liefde aan te bevelen.

Een treffend voorbeeld daarvan geeft Paulus zelf, als hij

1) 2 Tim. 4:7, 8.

2) Ps. 129 (130) : 3.

3) 1 Kor. 15:29.

Sluiten