Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijn allerlaatste levensdagen in de gevangenis te Rome wacht op den dood. Allen hebben hem verlaten, want wie hem bezocht, liep groot gevaar eveneens gevangen genomen en terechtgesteld te worden. Maar Onesiforus heeft het gewaagd, hij heeft zoolang gezocht en moeite gedaan, tot hij bij Paulus werd toegelaten. Als Paulus dit schrijft aan Timotheüs,1) is Onesiforus reeds dood; wellicht heeft zijn trouw aan Paulus hem het leven gekost. Met dankbare liefde en diepen weemoed denkt Paulus aan hem en zegt: „De Heer geve hem, dat hij barmhartigheid bij den Heer vinde in dien dag." Zoo wordt Paulus' gedachte aan den ontslapen vriend een biddende gedachte: een voorbede.

Eigenlijk is er geen verschil tusschen de vereering der heiligen en het gebed voor de ontslapenen. Want in beide gevallen is het een denken in liefde aan hen, dat een bidden wordt tot God. Temeer nog, waar wij nooit weten kunnen, hoe zij, die van ons heengegaan zijn, tegenover God staan. De naam „heilige" is slechts een naam des geloofs, een voorbede der liefde en dankbaarheid. De „heiligen" zijn evengoed ontslapenen, en de ontslapenen zijn evengoed „heiligen", want zij vormen met ons „de gemeenschap der heiligen". Geen is er onder hen, die door zijn eigen verdiensten zalig geworden is of zalig wordt. Met ons gelooven ook zij, dat wij allen „door de genade des Heeren Jezus Christus zalig worden".2) Geen is er onder hen, die voor ons Gods plaats zou kunnen innemen en ons zou kunnen helpen door zijn menschelijke kracht of verdienste. Geen is er onder hen, die ook na het beste leven des geloofs niet zeggen moet: ik was een onnutte dienstknecht, ik heb slechts gedaan, wat ik schuldig was ~te doen.3) Geen is er onder hen, die ons anders zou kunnen liefhebben en van dienst zijn dan door de voorbede tot God. Geen is er onder allen, die ontslapen zijn, dien wij op andere manier kunnen gedenken en helpen, dan door onze voorbede tot den Heer der genade en God der barmhartigheid.

') 2 Tim. 1 : 15—18.

2) Hand. 15: 11.

3) Lk. 17 : 10.

Sluiten