Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

produktieproces van goederen, welke zoals hier werd verondersteld, vrijwel onmiddellik worden gekonsumeerd, niet mogelik is. Opdat toch immers golven van ongeveer acht jaar periode zouden ontstaan, zoals de reële konjunktuurgolven, zouden vertragingen van vier jaar moeten worden aangenomen, hetgeen veel langer is dan men waarneemt. Doch ook in andere opzichten is ons uitgangspunt niet voldoende realisties geweest.

Ten einde tot meer realistiese afbeeldingen van het konjunktuur» verloop te komen, moeten we een aantal komplikaties aanbrengen.

(2) Een eerste, zeer belangrijke komplikatie is dat we de veronder* stelling van de konstante koopkracht laten vallen, doch aannemen, dat de per tijdseenheid beschikbare koopkracht veranderlik is en wel verband houdt met de konjunktuur. Men beseft dat hier het ver* schijnsel wordt geïntroduceerd waarop — zij het dan niet altijd in deze vorm — de monetaire konjunktuurtheorieën met recht de nadruk leggen. Nu blijkt echter, dat de invloed, die van een zodanige verander* like koopkracht uitgaat op de periode en de dempingsgraad van de beweging, zeer verschillend is, al naarmate de afhankelikheid tussen die koopkracht en de konjunktuur op verschillende wijzen wordt gekonkretiseerd.

Neemt men b.v. aan dat die koopkracht bewegingen vertoont gelijk* tijdig met de prijsbeweging, dan blijft de lengte der golven onver* anderd 2 T en blijft dus de mogelikheid, om op deze wijze de werkelike konjunktuurbeweging af te beelden, afwezig. Neemt men daarentegen aan, dat de koopkracht zich gelijktijdig beweegt met de bedrijvigheid — d.w.z. het aantal per tijdseenheid gepresteerde arbeidsuren — dan blijkt dat een golfbeweging kan optreden met aan* merkelik langere perioden. Deze bedrijvigheid vertoont bij de prijs* beweging een zekere vertraging, ruwweg op h T te stellen; men bemerkt nu hoe essentieel het postuleren van vertragingen is voor het verklaren van de golfbeweging. Dit is ook de reden, waarom hier begonnen werd met dergelijke vertragingen aan te nemen (men kan ook, zoals later zal blijken, andere dynamiese samenhangen veronder* stellen) en de koopkrachtkwestie eerst op het tweede plan wordt behandeld. De invloed van deze laatste is n.1. slechts dan belangrijk, wanneer men met zulke dynamiese samenhangen te doen heeft

Heeft men deze eenmaal geïntroduceerd op de aangeduide manier, dan is n.1. verder de invloed van de grootte*verhouding tussen bedrij* vigheidsschommeling en koopkrachtschommeling — een verhouding, welke men in deze gedachtengang in de vorm van een getal kan postuleren — zeer belangrijk en merkwaardig. Hoe heviger n.1. de koopkrachtuitzettingen en «inkrimpingen op de bedrijvigheidsuitzet* tingen en «inkrimpingen reageren, des te langer blijkt de periode van de golfbeweging te zijn. Wanneer men tenslotte boven een zekere, in

Sluiten