Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien de zeer korte tijd welke tegenwoordig vele produktieprocessen nodig hebben, een realistiese trek in dit beeld te noemen. Alles komt dus aan op de zoëven gestelde ekonomiese vraag: komen er groot* heden voor met resp. integraalkarakter en differentiaalkarakter to.v. de zelfde variabelen, en spelen deze grootheden bij de konjunktuur* beweging een rol van betekenis?

Als voorbeeld van de eerste soort noemde ik al de lonen. Onder* tussen is het lang niet zeker dat de lonen een belangrijke rol spelen in de konjunktuurbeweging. Ze oefenen n.1. op de centrale variabelen voor het konjunktuurprobleem, de winstmarge en de omvang der produktie, twee tegengestelde invloeden uit, welke elkaar grotendeels vernietigen. Aan de ene kant de invloed langs de kostenzijde, waar* door hoge lonen de produktie belemmeren, aan de andere kant de invloed langs de zijde der koopkracht, waardoor hoge lonen de pro* duktie stimuleren. De laatste invloed legt het, bij vergelijking van twee partiële evenwichtstoestanden met verschillende loonshoogte, in het algemeen af tegen de eerste; maar voor niet*evenwichtstoestanden komen er andere kwesties bij. Korrelatieonderzoekingen21) maken aannemelik dat'in het verleden de invloed van de lonen op de kon* junktuur gering ïs geweest. Van meer belang zou, volgens diezelfde onderzoekingen, de arbeidsproduktiviteit zijn; en zoals we reeds even opmerkten, kan men in goede overeenstemming met de werkelikheid aannemen, dat ook deze het karakter van een integraal van de winst* marge heeft, omdat de vergroting der arbeidsproduktiviteit verband houdt met de stand van de winstmarge. Het is voorts niet moeilik een aantal andere verschijnselen op te noemen welke integraalkarakter aanwijzen. Bij nader inzien blijken deze echter ook alle van minder groot belang te zijn; wat overigens niet uitsluit dat ze, tezamen met de lonen, toch een merkbare invloed hebben. Ik denk aan de voor* raden. Deze zijn de integralen van de produktieoverschotten; onder dit laatste verstaan de verschillen tussen produktie en verbruik in eenzelfde elementaire tijdperiode. Nader onderzoek omtrent de voor* raden leert echter dat het verband met de konjunktuur betrekkelik los is; aangezien n.1. de grondstoffenvoorraden de meeste beweeglik* heid hebben en deze door de oogstbeweging belangrijk worden be* invloed. Een andere grootheid met integraalkarakter t.o.v. de winst* marge is de totale aanwezige produktiekapaciteit. Ook deze blijkt, hoewel voor de dynamika op langere termijn zeer belangrijk, voor de dynamika der konjunktuurgolven niet van veel betekenis te zijn: de invloed die de produktiekapiciteit op haar beurt wederom op de pro* duktie uitoefent, is slechts gering. Een derde verschijnsel met integraal* karakter is het aanbod op de geldmarkt. Ook deze variabele oefent echter op de gang van zaken, voorzover tot op heden uit korrelatie* berekeningen valt af te leiden, slechts een sekundaire invloed. De

Sluiten