is toegevoegd aan uw favorieten.

Fascisme en marxisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nl. van leden van partijen met in beginsel a-nationale en antinationale gezindheid, van marxistische sociaal-demokraten en kommunisten. Zulke partijen stellen nl. in beginsel de internationale arbeiders-klasse boven de eigen volksgemeenschap in haar geheel, —en waar zij bovendien den klassen-strijd in haar beginselprogram hebben opgenomen (zooals in het bizonder in § 12 van het program der S.D.A.P., dat het woord „staat" zelfs niet kent en in zijn geheel een kollege in anti-nationaal marxisme is), — zijn zij in beginsel bereid ten bate van eigen internationale klasse het vaderland als de geheele eigen volksgemeenschap bij gelegenheid te verraden.

Het is verwonderlijk, dat het zoo ver is kunnen komen in de volksvertegenwoordigingen der staten. De liberale verdraagzaamheid die hier in het spel is, moge ten rechte een zoodanige verkeerde, ja verraderlijke gezindheid in sommige staatsburgers dulden voor zoover die gezindheid een auivere gewetenskwestie is, die zich niet in staats-vijandige redevoeringen en handelingen uit, — en gewetensvrijheid ten rechte is gewaarborgd. Maar worden zij aldus op zijn best in de volksgemeenschap geduld, verdragen, zoo is het in het licht der staatsidee wel duidelijk, dat zij in de volksvertegenwoordiging d.i. de staats-macht die den algemeenen wil van het geheele volk mede bepaalt, volstrekt niet thuis behooren, omdat zij niet alleen den waren zin voor die volksgemeenschap als natie missen, maar die volks-gemeenschap zelfs in hun beginsel-program vijandig gezind zijn ten behoeve van een abstrakt, bij gelegenheid desnoods door burgeroorlog en hulp van den vreemdeling-klassegenoot te verwerkelijken vaderlandsloos klasse-ideaal.

Deze staats-vijandige gezindheid (al wordt zij taktisch zoolang gecamoufleerd) kan nimmer moment in een algemeenen volkswil zijn, die logisch het „ik zal handhaven" in het wapen voert en die het beste en niet het slechtste-want-staatsvijandige wil. Die slechte gezindheid heeft in de natie gedurende de ruim veertig jaren, dat zij georganiseerd werkzaam is, een behoorlijk stuk ondermijnenden arbeid gedaan, hoewel haar „revolutie" in 1918 op den goeden geest van het Nederlandsche volk toch jammerlijk» ja tragi-komisch doodliep. En in de volksvertegenwoordiging bracht zij naast vertegenwoordigers, uit wier handelingen bleek, dat hun redelijk gevoel, hun „instinkt der rede" sterker is dan hun feitelijk anti-nationaal dogma, óók representanten, die in hun kennelijk antinationale gezindheid (in overeenstemming dus met het beginselprogram) een ergernis waren voor elk goed-Nederlander, die zijn Nederlandsche volksvertegenwoordiging aldus zag ontaarden (zie reeds noot blz. 36).

Hierin ligt wel de hoofdoorzaak van de verwording en het zeer gedaalde prestige der volksvertegenwoordiging in Nederland (en hetzelfde geldt voor provinciale- en gemeenteraden): de toelating van vertegenwoordigers van den marxistischen geest, die in flagranten strijd is met den Nederlandschen geest, ja bij gelegenheid verraderlijk zal zijn. Zoo is de noodzakelijke homogeniteit van de natie als geheel met haar volksvertegenwoordiging verloren gegaan. Zoo heeft het prestige van deze staatsinstelling groote schade geleden en is het gezag van wetgevende en uitvoerende macht geleidelijk verzwakt. En het is