Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En dan zullen de „democraten" net graf hebben gegraven van de democratie ...

Hier, gelijk ze dat reeds elders deden."

Sedert door de oprichting van de goed georganiseerde S.D.A.P. in 1894, nu veertig jaar geleden, (die zich sedert steeds heeft gedragen als de politieke agent van groeps- en klasse-egoïsme) leidde tot de intrede van een groot aantal S.D. A.P.-ers in de beide Kamers, maakt vooral het beeld van de Volkskamer met betrekking tot haar waren nationalen gemeenschapszin, en daarmede het beeld van de innerlijke kracht der ministeries en van wetgevende en uitvoerende macht een steeds droeviger indruk. Het begon met de noodzakelijkheid van het eerste extra-parlementair kabinet 1913—1918 nl. van Gort van der Linden—Treub. Dit was nl. extra-parlementair, omdat de sociaal-demokraten, die bij de verkiezingen in 1913 reeds 15 zetels in de Volkskamer hadden verkregen (na Domela Nieuwenhuis, die in 1891 weer uit de Volkskamer verdween, kwamen er in 1897 enkele, in 1905 reeds 7, in 1913 15 zetels voor de Marxisten) en met de andere linkschen de meerderheid haalden tegen de rechtschen (de kerkelijke koalitie), weigerden de verantwoordelijkheid mede te dragen door zitting in het kabinet. Toen nog geen jaar daarna, in 1914 de wereldoorlog uitbrak, vormde dit kabinet met de Volkskamer toch een krachtig, eendrachtig geheel omdat tusschen de partijen (in verband met den wereldoorlog en den ook binnenlandschen ontredderden toestand) de „godsvrede" was gesloten, partijstrijd zoolang werd beëindigd in het belang aller.

Nauwelijks echter was de oorlog geëindigd, of de ware aard der S.D.A.P. (die reeds een bedenkelijke mentaliteit had getoond door die weigering), kwam te voorschijn toen eenige harer leiders met Troelstra in November 1918 op grond van de revolutie in Duitschland de proletarische revolutie meenden te kunnen aankondigen met overname van het landsbestuur door arbeiders- en soldatenraden. Een dergelijke mentaliteit (die ook reeds in 1903 bij de groote spoorwegstaking,^ toond was, maar door het krachtig optreden van het kerkelijk ministerie Kuyper—Idenburg, toen nog slechts enkele marxisten in de Volkskamer zaten, was recht gezet) vertoonde zich in 1983 na de muiterij op „De Zeven Provinciën" weder in en buiten de Volksvertegenwoordiging (zie vorige noot).

. ilkttusschen is het aantal Marxisten in de tweede Kamer als volgt toegenomen: door de verkiezingen in 1922, 1925, 1929 en 1933 resp. 22, 25, 26 en 27, — in de Eerste Kamer thans 11 van de 50 leden.

Zóó is thans na de Katholieke staatspartij met haar 28 leden (plus 1 lid van de Katholieke volkspartij), de S.D.A.P. met haar 22 leden (waarbij nog 1 (extra)-revolutionnair socialist en 4 kommunisten) de sterkste partij ia de Volkskamer, waartegenover de verdeelde Protestanten slechts 29, en de overige partijen (liberalen en vrijzinnig demokraten) en partijtjes slechts 15 zetels hebben, om het 100-tal vol te maken.

Bezien wij de geschiedenis der Volkskamer in vogelvlucht, dan zien wij duidelijk, (waar haar deugd van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid door grensforceering het punt passeerde, waar die

Sluiten