Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieder, die zich voor het vak bekwaamt of het leeszaalwezen bestudeert, geraadpleegd moeten worden, omdat het een breed en diepgaand inzicht in onze geschiedenis heeft gegeven.

Verplaatsen wij ons thans in onze gedachten een oogenblik terug naar de beginjaren van onze eeuw. Wij treffen dan in ons land slechts twee inrichtingen aan, opgericht met de bedoeling het machtige Engelsch-Amerikaansche instituut der Public Library op vaderlandschen bodem over te planten. Het waren de O. L. te Utrecht en Dordrecht, waarvan de eerste in 1892 was opgericht, dank zij het initiatief van den heer H. A. van Beuningen, en de tweede in 1899 als een gevolg van de door den heer A. R. Zimmerman gewekte belangstelling. Konden deze instellingen zich reeds meten met de zusterinstellingen aan de overzijde van het Kanaal en den Oceaan? Bij lange na niet! De oudste leeszaal droeg nog te veel het karakter van Volksleeszaal, uitsluitend bestemd voor de minder ontwikkelden, en waarvan het toezicht en beheer ten deele was toevertrouwd eerst aan een gepensioneerd indisch onderofficier, later aan een veldwachter in ruste. Hoewel met groote toewijding door deze en dergelijke ambtenaren de hun opgedragen taak werd vervuld, behoeft het geen betoog, dat onze instellingen andere, meer op bibliotheekgebied deskundige leiding behoefden.

In de Leeszaal te Dordrecht, in 1899 opgericht, werd dit dan ook enkele jaren later ingezien. Het beheer werd daar opgedragen aan een bibliothecaresse, die in het buitenland van nabij kennis had kunnen maken met de openbare leeszalen. Deze nog steeds met jeugdig vuur bezielde leidster zwaait op voorbeeldige wijze tot onze vreugde aldaar nog den scepter. Wij wenschen dat Mej. Snouck Hurgronje nog langen tijd hare vakgenooten zal blijven bezielen.

Het voorbeeld van Dordrecht vond navolging in Groningen, Leeuwarden en den Haag, terwijl de heer van Rijn de reorganisatie der oude gemeentelijke bibliotheek te Rotterdam tot een Openbare Leeszaal voorbereidde. Zóó stonden de zaken, toen de Groningsche Leeszaal ons in September 1906 te Utrecht bijeen riep, om te overleggen, op welke wijze door onderlinge samenwerking onze instellingen tot grooter bloei gebracht konden worden. Een gedeelte der vergadering

Sluiten