is toegevoegd aan uw favorieten.

Democratische vrijheid en socialistisch recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kelsen vernest uit het oog, dat hij hier de vrijheid als absoluten eisch, die door allen aanvaard moet worden, vooropstelt. Het relativisme kent aan alle rechtsovertuigingen gelijke kracht toe. Maar hoe kan het gelijke kracht geven aan een rechtsovertuiging, die inhoudt, dat de macht aan een bepaalde groep moet toevallen en aan een tegenovergestelde overtuiging? Dat is een onmogelijkheid. En zoo werpt het aan allen, die de macht opeischen, opdat recht geschiede, den vrijheidseisch tegen, d.w.z. het eischt het maximum van vrijheid, dat bereikbaar is. Maar waar is dan het relativistisch uitgangspunt gebleven? Want waarom moet ieder dezen vrijheidseisch aanvaarden? Ook Kelsen gaat uit van absoluut geldige grondbeginselen. Het relativistisch uitgangspunt is tenslotte niet houdbaar. De mensch laat zich niet alleen door het redeneerende verstand beheerschen 1).

*) Niet alleen bij de eigenlijk gezegde relativisten vindt men uitingen, die allesbehalve relativistisch zijn, pok de nauwverwante — in bepaalde opzichten relativistische — positivisten en formalisten onder de rechtstheoretici bezondigen zich telkens aan verklaringen over hetgeen in een bepaald geval recht of onrecht is, terwijl dat toch in het geheel niet bij hun theorieën past.

Duguit, de positivist, die slechts het recht, zooals het is, en was, wil bestudeeren, komt tot de volgende uitspraak: „Inderdaad, wij hebben het al gezegd, de staat streeft in waarheid naar één doel, een zonder twijfel samengesteld doel, maar toch een doel, dat een eenheid vormt, en dat ik omschrijf door te zeggen, dat de Staat door het recht verplicht is, de ontwikkeling van de beschaving van het volk door het recht en overeenkomstig het recht na te streven, of, wat hetzelfde is, de verwerkelijking en de ontwikkeling van de maatschappelijke solidariteit te verzekeren." („Traité de droit constitutionnel", II, Parijs, 1923— 1927 blz. 235). Het klinkt als een politiek program 1

En wanneer Durkheim schrijft: „De geloovige buigt zich voor God... Wij hebben dezelfde redenen deze gevoelens tegenover de samenleving te gevoelen", of wanneer August Comte telkens uiting geeft aan zijn geloof in den onweerstaanbaren vooruitgang van het menschelijk geslacht, dan hebben zij op dat oogenblik hun positivistische leerstellingen verlaten en daarmede het relativisme, dat uit deze leerstellingen voortvloeit.

Niet anders is het bij de formalisten. Het formalisme van deze theoretici bestaat slechts in de vaagheid van de formuleeringen, waarin zij het door hen zelf als recht gevoelde gieten. Wanneer Kant in zijn beroemde