is toegevoegd aan uw favorieten.

Democratische vrijheid en socialistisch recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* jf. Het relativisme kan geen socialistische theorie zijn; waar het relativisme indringt, verdwijnt in zooverre de socialistische kracht.

Dat is de conclusie, welke wij uit het voorgaande trekken: wie een bepaalde meening bezit omtrent hetgeen als recht behoort te gelden, en daarnaar wil handelen, moet de relativistische principes verwerpen. De relativisten en allen, die daaraan verwant zijn, laten hun theorieën Vallen, zoodra zij niet langer over de waarde en onwaarde der bestaande toestanden kunnen zwijgen, en zij geven dan, wanneer zij de onwaarde van de bestaande verhoudingen zien, hun ideaal weer. Wie dat ideaal mede door1 zijn daden dichter wil helpen benaderen, kan op de oogenblikken, dat hij handelt, geen relativist zijn. En tot al diegenen behooren de overtuigde socialisten. Zoo ook zal men nimmer in een redevoering van een socialistisch leider relativistische sporen terugvinden. Was dit wel het geval, dan zou hij geen leider meer zijn. En zoo ook zijn de overige socialisten, de niet leiding gevende personen, geen relativist voor zoover zij kracht bezitten- Waar het relativisme bij hen indringt, verhezen zij hun socialistisch geloof, en dreigt hun de kracht te ontglippen.

Kunnen de socialisten, die zich relativist noemen, dan geen socialistische strijders zijn? Wij wezen er al op, dat inderdaad

omschrijving stelt: „Het récht heeft tot taak de vrije wilsuiting van den een met de vrije wilsuiting van den ander in overeenstemming met een algemeene wet der vrijheid te vereenigen en door afdwinging van de daartoe noodige voorwaarden de vrijheid van de persoonlijkheid te verzekeren," dan is hij daarbij uitgegaan van zeer positieve rechtsbeginselen: de waarde van de menschelijke persoonlijkheid en de waarde van de vrijheid. En wanneer Stammler, wellicht de bekendste formalist uit den tegenwoordigen tijd, eerst uiteenzet, hoe het recht slechts onder een „formeel criterium" vereenigd kan worden, dan staat men toch wel eenigszins verbaasd te lezen: „Gerechtigheid is het richten van bepaalde rechtswenschen in den zin van een absolute wilsharmonie." („Handwörterbuch der Rechtswissenschaft" van Stier-Somlo en Elster, 1927, onder „Rechtsphilosophie", blz. 782).

Steeds is hier de natuur sterker dan de leer: weinigen onder de rechtsphilosophen bezitten zoo weinig overtuiging, dat deze niet doordringt in hun geschriften.