is toegevoegd aan uw favorieten.

Democratische vrijheid en socialistisch recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

speciale rechtsregels de moreele kracht kunnen verleenen, zijn naar den inhoud niet afhankelijk van deze natuurkrachten en van deze economische invloeden. Dat is de stelling van hen, die in het natuurrecht gelooven.

Het gaat hier in de praktijk om een „geloofsartikel". In het voorgaande zijn wij er al op ingegaan, hoe hier tenslotte de overtuiging, die van de verstandelijke redeneering onafhankelijk is, de beslissing brengt. Een beroep op de feiten, van de eene zijde gedaan, heeft voor de overzijde geen beslissende beteekenis. De kennis van den ontwikkelingsgang van de rechtsopvattingen is te gering en de overtuigingen zijn te sterk, dan dat een beroep op de feiten aan de eene zijde de overtuiging aan de andere zijde zou kunnen aantasten.

Maar al mogen de tegenstellingen in de opvattingen hier zoo star en onaantastbaar zijn, dat van een geloofsartikel kan worden gesproken, dat beteekent niet, dat beide standpunten — en elk van hen wordt door socialisten aangehangen — als geestelijke grondslag van de socialistische beweging kunnen dienen. In het voorgaande verdedigden wij de opvatting, dat de socialisten, voor zoover zij voor de socialistische eischen strijden, steeds moeten gelooven in het bestaan van een objectieve gerechtigheid, die in den strijd, zoodra de theoretische verstandelijke redenatie even zwijgt, door de socialisten tevens wordt gevoeld als onafhankelijk van het causale natuurgebeuren.

Het historisch-materialisme maakt de moreele eischen afhankelijk van de causale natuurontwikkeling, doordat zij de eischen van het recht naar den inhoud afhankelijk stelt van bepaalde feitehjke toestanden in de maatschappij. Het behooren is onverbrekelijk verbonden aan het feitelijk zijn. Hiermede is getracht een eenheid te scheppen, die steeds weer in de philosophische stelsels wordt gezocht. Maar tevergeefs wordt gezocht. En dat is.de kern van hetgeen wij hier willen betoogen. Het afhankelijk stellen van den zedelijken regel van de feitehjke verhoudingen heft immers juist den zedelijken regel op, doordat het hem de kracht ontneemt. De zedehjke norm verdraagt zulk een onderwerping niet. Zoodra de mensch, ten onrechte, gaat meenen, dat het recht, dat in hem leeft, naar deq