is toegevoegd aan uw favorieten.

Socialistiese opvoedings- en onderwijsdenkbeelden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door didacties*reorganisatoriese maatregelen, waardoor de school zich b.v. ontwikkelen kan in de richting van de „Oe* meinschaftsschule". De negatieve „neutraliteits «opvatting van de wetgever: „de onderwijzer onthoudt zich van iets te leren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met de eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van anders* denkenden", kan de sociaabdemocraat delen, mits zo ge* ïnterpreteerd, altans in de practijk toegepast, dat ook de politiek*economiese begrippen van andersdenkenden door het wetsartiekel worden beschermd. Hier stuiten wu schijn* baar op een antinomie. Hoe kan n.1. een in wezen klasse* instituut als de openbare school tegelijkertijd „.neutraal zijn in sociaabpolitiek opzicht? Ons antwoord luidt: dit is alleen mogelik als „neutraliteit" opgevat wordt in de enige redehke betekenis, die het ten aanzien van opvoeding en onderwijs hebben kan, te weten: die van objectiviteit. Immers hoe kan opvoeden „neutraal" zijn; als de opvoeder tot het kind komt, brengt hij zich zelf mee, dus ook de reacties van zijn Ik op Leven en Wereld. Zelfs dan als men de taak der openbare school wilde bepalen tot die van louter onderwijs* geven, dan nog is „neutraliteit" onbestaanbaar, zodra men het terrein van de „gezindheids"*leerstof betreedt, waar bij de keuze en interpretatie naast wetenschappelike en didac* tiese criteria, ook nog de bepaalde levens* en wereldbe* schouwing van de leerkracht een rol zal spelen. Dit lijkt mij, naast het subjectieve karakter, ook het zwakke punt te zijn van de pedagogiese absolute neutraliteit, die van het kind uitgaande, het wezenlike van de persoonlikheid van de leerkracht meent te kunnen uitschakelen, om hem zodoende tot onderwijsautomaat te verlagen.

Ziet men de taak der school echter ruimer dan alleen het bijbrengen van kennis en vaardigheden, acht men het ook tot haar taak te behoren, dat zij bijdraagt tot de ge* wetens* of tot de karaktervorming, in het algemeen tot de mensvorming der aan haar toevertrouwde Jeugd, dan moet de onderwijzer*opvoeder zich bezinnen op de fundamentele levensproblemen en op wat voor hem het essentiële van het Mens*zijn is. Deze waardeoordelen zullen samenhangen met zijn opvattingen over lot en bestemming van de mens, van zijn anthropologie. En van deze anthropologie nu, die op haar beurt weer verankerd ligt in 's mensen religieuse, wijsgerige of sociologiese grondovertuigingen, kan geen