is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevende machten tot regelen geroepen is, en juist omdat het zulke redenen zijn, kan de beslissing ook niet voor alle tijden en onder alle omstandigheden dezelfde zijn. Wat heden de gemeente goed regelt, wordt morgen beter geregeld door de provincie en overmorgen door het rijk." Duidelijker kan het naar ons oordeel niet gezegd worden en de theorie der gescheiden huishoudingen is hiermede geheel veroordeeld.

Evenwel — het schijnt alsof Van der Hoeven weer meer voelt*) voor de door Buys verworpen leer. Deze laatste vindt echter een krachtigen bondgenoot in Krabbe 8). Ook Van der Meulen 8) en Borrias 4) staan op diens standpunt. Van der Burgh heeft een wat minder ver gaande opvat-

l) Mr. G. G. van der Hoeven, Beschouwingen over de uitvoering van de artikelen 140 en 145 der grondwet, 1896. Deze schrijver vindt, dat de grenzen van provinciale en gemeentelijke bevoegdheid omlijnd zijn, maar dat het onmogelijk is haar duidelijk en mathematisch zeker vast te stellen. „Waar het rijk zich een onderwerp aantrekt, zijn provincie en gemeente van het terrein verdreven; waar de provincie verordent, is voor de gemeenten geen plaats meer." Blz 26 en 27.

*) Blijkens de Mededeelingen der Nederlandsche vereeniging voor gemeentebelangen 1887, 2e stuk, blz. 25, erkende Prof. Mr. H. Khabbe, dat er geen grens is tusschen het specifieke rijks-, provinciaal of gemeentebelang. In zijn praeadvies ilH <!, we™zaa«l>Md van staat en gemeente ter verbetering der volkshuisvesting 18»8, blz. 23, uitte de schrijver zich zelfs als volgt: „Het is thans geen ernstig betwist punt meer, dat de huishoudingen van rijk, provincie en gemeente door de grondwet hoofdzakelijk onbepaald zijn gelaten en elk dezer corporaties dus elk belang en. At op haar eigen wijze, mag behartigen, voorzoover daaromtrent niet uudrukkehjk iets anders is bepaald." Zie ook het advies aan de vereeniging voor de vervroegde winkelsluiting te 'a-Gravenhage in verslagen en mededeelingen van de afdeeling Handel van het departement van Landbouw, Nijverheid en Handel, jaargang 1910, no. 2, blz. 59—61.

1^9 MV*«P' y^NJDER MwiJa» in „Het koninkhjk vernietigingsrecht", 1898, blz. W en li»; „Onderwerpen, waarvan grondwet of wet niet het tegendeel bepaalt, is elke corporatie gelijkelijk bevoegd te regelen; elke trekt aan zich, wat zij doelmatig acht en „Een onderwerp ia, als uit de wet niet het tegendeel volgt, apriori van geen enkele der drie huishoudingen uitgesloten. Het is derhalve niet uit te maken, of het tot eene der drie mag behooren; 'tkan enkel de vraag zijn in welke huishouding eenig onderwerp het best* past."

tJl ^au^ ?h' 9.-.P' BoRRIAS - °ver de beperking van de wetgevende Mef,.der Plaatselyke besturen door de wetgeving van rijk en provincie, enk hl/ hf ~ « ^ ?eb"? *ln *** 8«°eente-wetgever niet geheel onzeker aan een anHrn ^ * reeelinB *» *W uitdrukkelijk

stTat wel ™« aTu- " opgedr1aBen «» den plaatselijken wetgever is onttrokken, i, j7 ' b»VO0T •« hoogere macht moet wijken, terwijl zijne bevoegdheid tot de grenzen der gemeente beperkt is, maar kan men ook al niet verder