is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

DE RECHTERLIJKE TOETSING VAN GEMEENTELIJKE VERORDENINGEN AAN DE GRONDWETTELIJKE BEPALINGEN VÓÓR 1851.

Hoe was het standpunt van de rechterlijke macht wat het toetsen van verordeningen betreft in den tijd van vóór de gemeentewet?

Toen toetste de hooge raad — en op dit onderdeel komt het thans aan - bij gebreke van wettelijke regeling de gemeentelijke verordeningen rechtstreeks aan de grondwettelijke voorschriften. Deze toetsing is van belang, aangezien vóór 1851 de theorie der gescheiden machten meer in zwang was dan daarna, althans in den lateren tijd, de theorie, welke een meer objectieven maatstaf, in ieder geval een minder subjectieven maatstaf gaf voor de gemeentelijke huishouding, het gemeentelijk belang, de verordenende bevoegdheid van den raad. En nu is het merkwaardig, dat ons hoogste rechtscollege, ondanks dien meer objectieven maatstaf, toen bij zijn toetsing toch reeds omzichtig te werk ging.

Allereerst is het opvallend, dat in dien tijd, ook wanneer verordfeningen den toets der critiek konden doorstaan, toch al werden aangewend de later zoo in gebruik geraakte termen: „moet geacht worden in het belang der goede orde en veiligheid in die gemeente te zijn noodig geoordeeld' (arrest van 24 Augustus 1841, W. 231), „moéten geacht worden te betreffen onderwerpen van huishoudelijk belang (arrest van 1 September 1841, W. 217), „behoort te worden gerangschikt onder" (arrest van 9 November 1841, W. 287), „de huishoudelijke belangen .... betreft" (arrest van 27 December 1842, W. 419), „als van huishoudelijk belang te beschouwen is" (arrest van 4 April 1844, W. 482), enz.