is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worde onthouden, ook dan wanneer dit verschaffen niet in het openbaar geschiedt, is aan te merken als een regeling gemaakt in het belang der openbare gezondheid, dat is: te betreffen de huishouding der gemeente, tot welke regeling de gemeenteraad aan artikel 135 der gemeentewet de bevoegdheid ontleent.

Naar aanleiding van artikel 113c der algemeene politieverordening van Woerden, luidende: „Het is aan allen, die eenige winkelnering uitoefenen, verboden op Zondag hunne artikelen te koop aan te bieden, te verkoopen, te verruilen, af te leveren, ten geschenke te geven of op eenige andere wijze ter beschikking te stellen. Deze bepaling is ook toepasselijk op barbierswinkels en kapperssalons, doch niet op apotheken noch op localiteiten, die blijkens haar inrichting bestemd zijn voor het gebruik ter plaatse van de aldaar verkochte eet- en drinkwaren", werd in het arrest van 14 December 1925 (W. 11527, N.J. 1926, blz. 53) overwogen, dat reeds eene onbevangen lezing van meergenoemde verbodsbepaling tot de conclusie voert, dat de daar opgesomde handelingen in de uitoefening der winkelnering moeten zijn geschied, welke opvatting wordt bevestigd zoowel door de tweede zinsnede van artikel 113c zelf als door de omstandigheid, dat de bepaling staat in het hoofdstuk: „Plaatsen voor het publiek toegankelijk". Daarom werd niet gegrond geacht de grief, dat de bepaling onverbindend zou zijn, daar zij ook betrekking zou hebben op handelingen in de huiskamer van den winkelier, met welke grief de hooge raad zich echter wel vereenigd zou hebben, indien dergelijke handelingen binnen het bereik van het verbod zouden vallen.

Het arrest van 11 Januari 1926 (W. 11530, N.J. blz. 172) aangaande de Rotterdamsche tabaksverordening besliste gelijkelijk als dat van 9 November 1925 (W. 11475, N.J. blz. 1256) betreffende het Arnhemsche voorschrift.

In den zelfden zin het arrest van 13 October 1930 {W. 12219, N. J. blz. 1670) ten opzichte van artikel 335 van de algemeene politieverordening te Amsterdam, verbiedende aan