is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitzondering ten aanzien van vreemdelingen verplichtte artikel 26, lid 3, den houder eener tapperij zorg te dragen, dat zich gedurende den sluitingstijd geen personen, niet tot de inwonende leden van het gezin behoorende, of wier tegenwoordigheid in hunne betrekking, beroep of bedrijf aldaar niet noodzakelijk is, in de tapperij bevonden. Bij arrest van 9 Februari 1931 (W. 12293, N.J. blz. 1338) werd uitgemaakt, dat artikel 26 de uitdrukking „tapperij" bezigt zonder eenige nadere aanduiding en daarom daaronder niet anders kan worden verstaan dan een tapperij in den zin van artikel 5, derhalve het huis of de woning, waarin het beroep van tapper wordt uitgeoefend, d. w. z. het geheele huis of de geheele tooning, benevens ook de niet voor het publiek toegankelijke bijgebouwen en de niet open aanhoorigheden. In artikel 26 worden derhalve de grenzen overschreden, welke artikel 135 der gemeentewet voor de bevoegdheid van den gemeentelijken wetgever heeft getrokken, zoodat het verbindende kracht mist.

X. Een zeer merkwaardig arrest is dat van 9 November 1931 (W. 12494, N.J. 1932, blz. 396). Deze beslissing had betrekking op artikel 1 van de verordening tot bescherming van postduiven en andere vogels van de gemeente Ginneken en Bavel. Het eerste lid van die bepaling luidt als volgt:

„Het is verboden, antennedraden voor radiotoestellen aan te brengen, of aangebracht te hebben, drie of meer dan drie meter boven den beganen grond, wanneer die antennedraden, voor zooveel betreft het deel of de deelen daarvan, welke buiten in de open lucht worden of zijn aangebracht, niet zijn voorzien van kurken of andere voorwerpen, op zoodanige wijze, dat de aanwezigheid van die antennedraden onmiddellijk in het oog valt."

Het tweede lid van het artikel bepaalt verder, dat de verordening alleen op dat gedeelte van een antennedraad betrekking heeft, dat zich meer dan drie meter boven den beganen grond bevindt, indien een ander gedeelte van dien